„Hoho! Lecfmans; da’s nou ook net wat voor jou, om d’r dat van te maken! O, o; jij maakt ’r ook wat van! Zoo’n lillikert ben jij toch,” lacht zij hem nu gelukkig toe, „nou hoor, ik zal het de mijne vertellen wat jij gezien hebt. O, o! Dag Lecfmans! Lillikert! Dag jongens! Meiden!” zegt zij hartelijk. En gaat met haar vrachtje onder haar schort de gang in naar huis.
Hij beleeft een grooten avond, Jankef. Allerlei inbeelding zet de bevinding omtrent zijn maatschappelijke plaats zwellend uit. Hij heeft in den nachtelijken avond over den buitenweg een geheimzinnigcn schat naar huis gesleept, door een wereld van minstens half-verdwaasde politiemannen beloerd. Op zijn aartsvaderlijk erf, in de ordening van zijn strijdbaren stam, zijn bevelen van straffe geheimhouding door hem en namens hem rondgedeeld, om de overwinning, aan welker omvang niemand denkt, door de engte van de gevaren heen te drijven. En dan heeft hij nu de stoute verbeelding van den enormen win-kel-loop; hij is een welvarend en bemind slager, en de honderden klanten verschijnen voor hem in een weder-zijdsche eerbiedige vertrouwelijkheid, in hun redelijke behoefte aan zuiver, en voor hun beurzen bereikbaar vleesch. Vriendelijk vlot en zakelijk helpt hij ze weg: op zijn zachte waarschuwingen na voor de politie, die niet heel en al zonder angst zijn, speelt hij de rol volledig. En alle gestalten die hij in den kring van zijn sociale bereikbaarheden bewonderd en begeerd heeft, moet hij hierin beleven: Hij die bedeeld is, moet nu schenkingen doen; de geminachte in hem wil verwenschen; na bespot te zijn, hoont hij nu; na zich in een hoek gedrongen te hebben gevoeld, neemt hij wraak met de vijandige basis te ondermijnen. Het zwangere meisje van de garen- en band-kramer uit het kleine krotje, dat met haar paarse lippen en haar vel-over been gezicht en onder de zweren, een half pond vleesch komt vragen met een dubbeltje in haar hand, maakt hem stil en schor, in dien overval van armoede die tot ellende wordt, zooveel onmachtiger en reddeloozer nog dan de zijne.
„Wat heb je dan,” vraagt hij, „o, een dubbeltje? ja, ik zie het wel.”
142