dan moetje op je sootemieter hebben, net zoo goed of da ’j een klein kind was. (Jankef knikt levendig). Is ’t niet zoo? O! A’j doet as een kind, dan moetje ook hebben as ’n kind. Ik zeg, gaat voor mijn part maar naar je maat toe, a’j zoo bint verdommie, want an zoo’n kerel daar heb ik net niks an. Ik zeg hang je maar op en gaat maar naast je verzopen maat leggen op ’t kerkhof zeg ik vanmorgen : die wordt strakkies weggebracht zeg ik, die heeft ook de helft van z’n leven heeft-ie verzopen. Die is trommelslager geweest, maar hij is trommel op zijn smoel te kort gekomen.”
„Wie, o Dirk van Putten! De trommelslager! Ja, he’ j’t gezien? Is met volle muziek begraven vandaag. Met de heele schutterij achter ’m an.”
„Nou, het is een schande, om zoo’n kerel zoo te begraven. Zoo’n lillike smeerlap, zoo’n lurkert. Verdommie a’j ’t an mijn gevraagd had, ik had gezegd, legt ’m maar op een kruiwagen en rijd ’m maar zoo het water in. Da’s mooi zat. Nou dat was de beste maat van de mijne. Alle avenden hier ginder op de hoek bij de brug. Sament: En dan maar pimpelen. Die kromme potlepel voorop, die vieze vadoek.”
„Met volle muziek hoor!” zegt Jankef lachend. „Netjes. Heb j’t gezien? bij vrouw Pallandt ? Dat heb je misschien niet gezien, hè? dat was anders de moeite waard. Dat heb ik nog nooit van z’n levensdagen meer gezien; wat daar gebeurd is, juistement daar vlak voor de herberg van vrouw Pallandt, waar jouw man alle dagen met Dirk van Putten heeft gezeten.”
„Wat dan?” vraagt vrouw Brands, een beetje gespannen. „Wat dan? Wel dat toen de wagen met hèm derin, daar voor de deur langs kwam, dat de beide paarden toen eenvoudig niet verder hebben gewild. Dat ze daar (hij heft de armen omhoog) vlak vóór de herberg, zóó op hun achterste pooten stonden te steigeren, meneertje.”
„Hoho!” lacht zij naar hem, geboeid, maar nog even bevreemd.
„Op hun achterste pooten!” zegt Jankef, „de beesten moesten met de zweep voorbij geslagen worden. Om die toonbank daarbinnen, versta je wel?”