Eli kijkt bezwerend naar Hanna, en zij begrijpt hem: hij is bang dat zij nu, nu zij bij Lea aansluiting vindt, nog van Mau’s uitval zal gaan vertellen.
Maar de andere vrouw, een rijpe moeder, die nog stond te wachten en zich welgevallig heeft bevonden bij het rondgaan van dien lust waarin zij voor haar kunne de volle eer voelt, keert zich naar Lea:
„Och, deerne, zanik niet. Van de mannen moe j’ wat kunnen verdragen. Moe ’j zoo gauw niet lillik van kijken! wat Leefmans?”
„Och die meid,” zegt vader, „die speelt maar een beetje voor poppekop, ze hoort hier dan ook heelemaal op de plaats niet te staan. De plaats is haar plaats niet.”
De buurvrouw, royaal, met een moederlijk lach-schokje tot Lea:
„Je hebt ’r toch zeker geeneentje van glas, wel? O, nou dat zou ’k ook zeggen. Verdomme deerne, zoo gauw breekt-ie niet hoor!” Dan zachter: „och ja, ze is ook nog wat klein ook, ze heb d’r nog niet zooveel weet van as ’t wel lijkt.”
„Dat is ’t ’m. Maar dan hoeft ze hier ook heelemaal niet te wezen. En wat zal ’t wezen, vrouw Brands? Ook een mooi stukkien? Zullen we je ’s een goed knap stukkie af-snijen? Ja, ik wou da ’k der duuzend kilo’s van had. Maar graag! voor twee dubbeltjes een pond. Een stukkie van vijf pond ? Een knap stukkie van vijf pond. Nou, dat mag je ook wel hebben, wantje bent nog al met een heel rijtje aan tafel. Je hebt er ook zoo’n stuk of zes hè? van die mee-vreters.”
„Zes. Nou maar jij hebt der toch zeker nog heel wat meer an gedaan, jij?”
„O! Ja ! Zes, das niks voor mijn. Daar begin ik net pas zoo’n beetje mee.”
„Tja! Toe waar jij net zoo’n beetje goed op gang toe je der zes had. En waar zitten ze nou? Is hij nou ook al weer weg, Marcus ?”
„Markus? die is al lang weg. Die is koekiesbakker.”
„O. Dan is-ie bij z’n groote broer; bij Levie.”
„Nee, bij Levie niet. Bij Jaap.”
„O ja, bij Jaap. Nou jij stuurt ze maar de wereld in. Ge-