op het plaatsje, waarvan het duister, door een opgehangen olielamp, met stengels van licht rond een felle gouden kern, is uiteengeveegd. Achter dat beeld en het genot van de verbazing verflauwt dat van de politie en haar sabels; in de tevredenheid van het zeldzaam levendige en het ontmoeten van de harmonie daarvan met zijn omgeving, moet hij zijn eersten angst vergeten en stelt hij zich onvoorwaardelijk saamhoorig met vader en de jongens. Het vleesch is goed, het hoeft niet gekeurd, en de politie moet misleid; vader, de jongens en hun daad zijn goed, en de politie is het kwaad; zij is machtig en te vreezen, maar overbodig en dom en boosaardig.
Jankefis het kalf in den avond gaan halen, nadat hij heeft gehoord dat het bij een bekenden boer in den bongerd in een appel gestikt is. Onder de medewerking aan strakke heimelijkheid der anderen, terwijl moeder Eli en Hanna voor alle veiligheid even in de kamer houdt, heeft hij het, door de lange steenen gang, naar het plaatsje gesjouwd, en nu komen van links en rechts, op sensatie en koopjes belust, de geheimzinnig gewaarschuwde arme arbeiders-en paupervrouwtjes, het hartige buitenkansje van twee dubbeltjes het pond onder haar grauwe boezelaars weghalen. Er komt een winst van een paar tientjes, en het even groote voordeel van een huis vol spanning. Gefluister, waarschuwingen, onderlinge waakzaamheid, en de belooning van die saamhoorigheid in de woordspelingen, de buitelende grappen, de armduwingen en de oolijk gewisselde blikken, om het rebellische succes tegen een wereld, die zij als vijandig kennen aan hun levenslust. Jankef staat op het plaatsje van gele klinkertjes bij een houten tafeltje en een stuk bank; alle kinderen, behalve Jetje die niet zooveel belangstelling heeft, en maar eenmaal komt kijken, ook Hartog en Mau het grootste deel van den avond als deelhebbende toeschouwers tegen de muren; Ezra, heeft vader omdat hij niet zoo sterk is, bij een barbier in de leer gedaan, en die is nu, tot laat in den avond, aan het inzeepen en haarvegen.
Aan een handwegertje met haakje schat Jankef de hompjes vleesch, en als hij het in een stuk afgeritste krant zijn koopster overreikt, buigt hij zich, en vertrouwt haar in-
137