voor een meisje, hoor! vader heeft zelf gezegd dat ik het zeggen moest hoor! als-ie zoo’n schandalige vuilak tegen me is.”
Hij buigt zich naar haar over met zijn hoofd rood van geplaagdheid en toorn; tusschen zijn tanden sist hij, in de moeite om haar niet aan te grijpen:
„Pas op hoor, godverdomme! Ik sla je tegen de muur, en je krijgt van Mau; ik zal ’m roepen dat-ie je tegen de muur gooit hoor! asje niet dadelijk stil bent. Durf es!” „Gek kind! Doe niet zoo mesjogge!”
Dat is tot zijn woedende angstige oogen, maar zij laat toch verder haar pogingen om vader’s aandacht te trekken. En Eli gaat naar het plaatsje.
Hartog en Mau zijn de buurt rond geweest om de arme huisvrouwen te waarschuwen dat er een koopje te halen is; de loop is al begonnen, want zij zijn er gebrand op. Eli, na de opwinding om Hanna, voelt nu pas sterk den stillen angst keeren om die voorstelling van de politie, die zich op hen storten zal.
Daarvan spreekt hij nu niet meer. Wat beangstigend is, daarover kan hij niet spreken. Dat moet hij zelf verwerken, want dat behoort tot de dingen die hij nog niemand van wie hij kent, kan toevertrouwen. En om ze zelf te verwerken, daarvoor is stilte noodig. Hanna’s wenden van het geval is te zelfbelust, daar voelt hij geen ernst in, en de anderen werken zelf in het gevaar, en kennen noch erkennen zijn angsten.
Vader een stukje, maar hij is doende, in een noodzaak, waaraan Eli niet kan raken. Wel is nog altijd het gebeuren rondom hem met een fijnen, steeds dunnenden nevel van droom voor hem bedekt; de broodvraag heeft zich nog niet lijfelijk genoeg aan hem opgedrongen; hij staat nog niet voet aan voet met de tegenmachten. Maar hij ondergaat, in den zachten greep van de beleving der anderen, de geschiedenis van den smokkelenden vleesch-verkoop, als een geboeid toeschouwer bij een gevecht, waarin het lijfsbehoud hem dwingt het lot van één partij te deelen. Hij ondergaat ze ook met een stil tevreden verwondering om dien avond van hevig tegengestelde kleur en van verschietende beweging rondom het paarsige kalf
136