VLEESCH
levendigheid gebeurt in huis; wat een bevrijdend
ls er, op zoo’n Zaterdagavond, iets ongewoons aan
buitenkansje! Achter op de plaats, een uur na „nacht”, een verboden geslacht kalf! in donker en soliede verberging binnengevoerd. De overgegeven bezigheid met dat vleesch, in den avond, de wreedheid ervan in de plechtigheid van de noodzaak opgeheven, is alleen al boeiend voor hem. Evenals het zingen van den zwart-baardigen oome Louis in de avond-Sjoel, schuift het een beeld voor hem omhoog van licht-doorbrand duister, waarin priesters zakelijk de bloedige slachtofferingen bedrijven, in de hooge ruimte van den Tempel, onder den avondhemel. Zij weten het allen: verboden.
„Is het dan waar dat de politie komt?”
„D’r komt niks, als jij maar niet lult en je ouwe hoer van een zuster ook niet,” zegt Mau.
„Ik zeg juist dat-iez’n mond moet houen,” teemt Hanna. „Je moet heelemaal niks zeggen.”
„Nou, en hij weet het heelemaal nog niet hoor! En ik zal het hem toch zeggen, dat-ie der geen woord over mag spreken. Ja-a... Hij moet z’n mond houen, anders krijgt vader stra-af!”
Mau keert zich naar het vroeg-rijpe meisje, dat hem, met haar overvolheid, kan prikkelen. Zijn tong in woede tus-schen zijn tanden, slaat hij met zijn vuist naast zich in de lucht:
„Godverdomme!” bijt hij haar toe, en keert zich van haar; met een sexueelen vloek.
„Vuilak.”
Zij roept het luid door de gang, Mau na. „Ik zal ’t aan vader zeggen hoor!”
„Hou nou je smoel,” trampelt Eli, „hij is toch al weg!” „Voor jou?” roept zij, „en tóch zal ik het aan vader zeggen hoor!”
„Sst!” dreigt hij vlak voor haar, in woede, en in angst, voor vader’s komst, om Mau. „Stil zijn! Stil zijn!” „Och jij, gek, aap!” Door zijn begrip van den toestand ge-interesseerd, lacht zij. „Wat weet jij dervan wat erg is
135