De kaarsvlam wordt op een schoteltje, in een scheut van den rozijnenwijn, gedoofd. Het sist; het gebrande vet stinkt en walmt in het vocht; een, die het onmogelijke wil, ziet toe met verborgen verslagenheid, en proeft in den zuren rozijnenwijn dien hij met Hanna samen drinken mag, een w'rangheid die hem als smaak bij die daad en die woorden volkomen bevredigt. Verslagenheid om al wat rondom, uit de zwartheid van den avond, hem aangrijpt; was er niet vader’s ongeoefende, ja valsch zingende, maar vriendelijke stem die dit alles opzegt, en zijn glimlach altoos verlegen om den ernst heen waarin hij doet: de stille verslagenheid zou bitterheid worden. Het duurt geen vijf minuten of bijna allen gaan uiteen. Van elk lichaam, ook van het zijne en dat van Hanna, worden de sjabbeskleeren gepeld en tegen die van de week-sche dagen verwisseld. De meisjes of moeder gaan boodschappen voor het huishouden, want het is morgen Zondag. Vader moet voor een zakelijkheid uit, dien hij Vrijdag niet meer voor Sabbath heeft kunnen afdoen; de jongens gaan soms, in het donker, met een stok, buiten de stad naar een boer, voor een runderhuid, een kattevel, een nuchter kalf dat met een winst van een gulden aan de ooms wordt overgedaan. Zoo verliezen zij elkaar; duisternis vult de afstanden tusschen hen, en hij, stil op den loer naar het geluk van de ontplooiing die het saamzijn kan brengen, verliest hen allen. Het is of zij elkander niet meer kennen, en op elkander stootend, grommen als blind geworden dieren. Dat duurt, door den Zondag onderbroken, eigenlijk voor hem een week.
134