ooit dat Zion genoemd wordt, of hij ziet dat: zon op marmer en wit of lichtgrijs steen van stede-bouw; licht-warme akkers onder een hoogen hemelkoepel, en het schuiven van meisjes, jongens en mannen, met ossengespan, tusschen het groen in de voren. De vertrouwde daarmee is alleen hijzelf, in de stilten, met, afgesloten door het duister waarin het rumoer der dagen, die nis, in de verbeelding, waar het liefelijke licht op het beeld van dien vrede, speelsch verschijnt, naar den rijken lust van zijn vrije welgevallen.
Maar de middag is niet te redden van den neerslag. Er mogen nog liedjes klinken, zij worden steeds zwakker, en nog slechts levend van geheimenis als van een oude pronk-kast in schemer, klinkt voor hem vader’s gemompel aan het slot: ,,Ik ben jong geweest en ik ben oud geworden; maar nooit heb ik een rechtvaardige gezien, die verlaten stond, noch zijn kinderen die om brood vroegen.”
Hij zit er met verborgen verwerpingen tegen, hoopt niet meer dat het waar zou kunnen zijn. Zijn twijfel wordt op-genomen in den luid-geroepen slot-zin:
„De Eeuwige geeft zijn volk kracht; de Eeuwige zegent zijn volk met Vrede!”
Het kan alles zoo verrukkelijk zijn, als het feest er achter opstijgt, zooals op een bruiloft, met veel menschen. Nu is het heelemaal afloop, en aan het slot, als nooit, maken zij terwijl zij opstaan en de stoelen wegschuiven, gemelijke grapjes met het „woul bekommetje” (wel bekom het je). De zuchten komen onbewust, en die veelzeggende woorden van vader en moeder: „Nog een paar uurtjes, en daar gaat de sjabbes alweer.”
En: „Eigenlijk als je koffie gedronken hebt om half twee, twee uur, kun je haast wel zeggen, dat het uit is.” Bij de kinderen wordt het onrustig zoeken, teemen en gemakkelijk twisten. De groote jongens ondernemen gewaagde stoeipartijen, en gauw klinkt het bezwerend van vader: „Hou op, Hartog! Mau, Ezra, laat mekaar met rust! van Getoowes (plagerij) komtSammemoowes!”(doodelijkgif). Eigenlijk zijn zij allemaal een beetje ziek.
129