ROOFVLEESCH IN HET NEST
Elke dag heeft zijn kleur, zijn reuk, zijn stand. Sab-batli en feestdagen zijn als groote lampen: de dagen die dichtbij zijn, krijgen er het meeste licht, krijgen er glans van; die veraf: zijn het grauwst.
Maandag, de marktdag; hij staat schuin omlaag, en hij is donker, maar niet heelemaal zwart. Hoewel, hij heeft veel van een brooddag: brood, dat beteckent voornamelijk grof roggebrood, dat kruimelt tegen je tanden en klit lang; er zit verdriet aan; roggebrood is somber. Om roggebrood heen valt er niets te leven; hij moet alles diep uit zich zelf opzoeken, alsof hij lang voorover zit, gebogen over zichzelf, die roggebrood is. Zoo is Maandag: de avond naar Jodenschool belooft niets; thuis moeheid en zwartheid met een beetje lamplicht, het beetje warm eten of vaak brood, roggebrood met een enkel dun plakje wit, als het warme eten er tusschen de schooltijden was om één uur, zonder vader. Als dan alles meedoogcnloos is, en het naar bed gaan, aan het eind van den langen hard-woeligen dag lijkt een smak die alles in hem breekt tusschen rumoer en rommcl-rompen in, dan vindt de kracht die licht van uitkomst zoekt, daar nog opeens een heel klein glimpje: morgen Dinsdag. Dinsdag dat is niets, maar op Dinsdag dan geeft moeder wel ccns een beetje soep, o, heel andere dan op Vrijdag-avond of Jomtof; gepelde garstsoep of boonensoep; maar goed, een ietsje lijkt het dan toch op Vrijdagav ond en feest, en het is voor hem, die evenals Jankef van het krachtige en gemakkelijk saam-gestelde voedsel houdt, een klein plekje van welgevallen, in een dag die zelf overigens loopt als een stoppelveld: tegen elf uur, op school, als de honger komt, begint hij damp en geur van het beetje soep tusschen de kinderen in al te ruiken, en er zich gezond mee te vereenigen. Dinsdagavond komt de verwachting op van den Woensdag; hij ligt vlak en vaal, de Woensdag; maar om twaalf uur is het toch uit met de gewone school, en de Jodenschool brengt ’s middags dan toch een verandering, al is hij saai, en al zou je wel eens vrij willen wezen, en dan ook heerlijk spel vinden. Want zou dat niet kunnen ? In de wereld ?
"9