tot elkaar herhalen: „Dat kind is mal! Die jonge is gek geworden! Hoe vindt je die?”
„Benje nou tevreden?” roept Jankef hem na.
Hij antwoordt niet.
Hij loopt na-huilend de trap op, maar hij is tevreden. Hij zal geen woord zeggen, en stil in zijn bed gaan. Maar met het schot-deurtjc van het kamertje in zijn hand, schrikt hij terug. Uit het donker van het slaaphokje hoort hij iets dat hem verkild doet staan; en hem terug drijft: een geluid als van gesmoorde kussen, en de v leiende zachte stem vanMau: „Marictje... ? Marietje... ?Hè?...Marietje... ?” Hij staat stil, den deurknop nog in zijn hand. Hij kan niet binnen, en niet terug naar beneden. En wie is Marietje? Al wat hij begrijpt: dat Mau aan het vreemde, ver van hem, denkt: iets dat Marictje is, aan het ongekende en onbegrijpelijke voor dit oogenblik. Schuw blikt hij in die enge eigenheid van den grooten broer, en durft zich niet verroeren.
„Wie is daar!” Mau’s opgeschrikte stem.
„Ikke,” zegt hij bang, „ik wou naar bed gaan...” „Donder op, godverdomme!” De stem snauwt, heelemaal vreemd, en zoo pijnlijk verrast...
Het is bijna een pijn in zijn borst, waarmee hij snel terug vlucht. Boven aan de trap blijft hij maar zitten. Maar wachten met slapen gaan. In het zwarte donker van den zolder zit hij, een gesuis van eenzaamheid in de nachtduistere ruimte rondom hem. Wel een half uur zit hij daar. Hij bijt in het donker en in de eenzaamheid. Hij maakt ze zich bewust, en wordt er langzaam sterk over. Mau is niet alleen. Maar hij. Hier, in een groot veld van ruimte, tusschen de menschen, is hij vaak volkomen alleen. Tegenover allen, ook tegenover Vader. Vanavond was hij het, op de kermis. En bij Mau was hij het. En hij is het nu.
Verdrietig alleen. Sterk alleen.
Goed, trots, alleen.
118