derbaarlijke electrische hand! —- Steekt in een oogenblik de rijksdaalders in de broekzak!”
„Hier jongelui! — Treedt binnen! De kater met vijf staarten! —- Eh... met vijf gulden wil ik zeggen!” (Zij lachen, ook Jankef).
„Boven is de hiepe-droom!”, roept Jetje goediger, en het lachgekrinkel rondom is een en al onschuldig plezier geworden.
„Ja, in de sliepo-droom!”, zegt Ezra.
Eli staat een oogenblik te draaien, dan gaat hij ook de kamer uit. In de gang hoort hij Mau zacht snikkend naar boven gaan. Hij kan hem nog niet volgen, en hij gaat weer naar de kamer. Hij aarzelt weer; dan zegt hij tot de kinderen, mokkend:
„Vuile boeven hè? Vuile gemecne boeven.”
„Wat?”
„Ja, vuile gemeene boeven, dat zijn jullie allemaal.” „Kruimel, wil je wel ’s je mondje houen?”
Het huilen breekt los. „Nee, dat doe ik niet hoor! Vuile boeven, de een net zoo goed als de ander.”
„Ik ook?” vraagt Jankef.
„Iemand op zijn gezicht te slaan hè?” zegt hij, „gemeen om iemand op z’n gezicht te slaan hè? dat kun jullie wel.” En terwijl het volle huilen uitbarst, piepend: „Godverdomme!” (met de eene hand in zijn tranen wrijvend), „jullie kunnen wel pesten hè? Godverdomme zoo gemeen...”
Hij snikt nu heftig, en alle kinderen lachen.
„Dat kind is gek,” roepen zij. „Opgedonderd!”
„Het is kras hoor!” lacht Jozef, „het is verduiveld sterk hoor! Tjonge! De gebroeders! Hum hum!”
Jankef komt volop lachend op Eli toe, en neemt hem bij den arm:
„Je kameraadje hè?” zegt hij, „je gawwer hè? van de kermis! nou, hier dan, ga dan maar gauw, en heel gauw bij je gawwer hoor! asjeblieft, anders krijgje nog een pak-kie mekaajem ook, want dat kon d’r nog wel ’s voor je overschieten. Asjeblieft!” roept hij, en hij smijt hem de kamer uit. De anderen blijven, een beetje schuldig nog,
117
8