alle maatschappelijke rechtspleging met altijd plotseling over de feiten heen te zien; met de schuld aan allen, en de straf waardeloos te voelen. Hij is opgestaan en wil de zakken van den jongen leeghalen: geen geld meer, alleen een paar wijnballen die hij op tafel gooit. En dat drijft nu de spijt in hem op om het verloren geld, de versmeten leef-munitie. Hij komt een oogenblik tot bitterheid tegen den jongen en zwiept hem een harden slag in zijn gezicht. Mau’s hoofd trilt terug en wordt rood; en Eli schrikt zoo op, dat de anderen naar hem omzien en de wrangheid van het gebeuren voelen. Zij zwijgen.
— „Dief! Vuile dief! Mijn geld!” — Nóg een striemende brutale slag in het gezicht. Er komen tranen bij Mau. Zij springen, weinigen, als uit droog blijvende oogen; het lijkt enkel verbittering en verontwaardiging; er is een stukje zelf-meelij in, en een stukje bijtende spijt.
Alsof Mau’s wang de zijne was, volgen de tranen bij Eli; zij vallen langs zijn wangen en trillende lippen, en de anderen worden verlegen; hun scheldwoorden vluchten terug naar de stilte van de ontsteltenis. Lea neemt een wijnbal van de tafel en wil Eli dien geven; hij schudt weigerend zijn hoofd. De sentimenteele Hanna kijkt haar terechtwijzend aan: „Ja, dat neemt hij!” zegt zij met een brok in haar keel: „zeker, de rechte soort!” En terwijl zij naar hem toegaat en den arm om zijn hals legt: „Hè, Eel? asje ’m er tien wil geven, nog niet hè?” Maar zij neemt stil de vlucht, want hij weert haar af, en wendt zich om. Twee haastige grissen van Hartog en van Ezra maken een eind aan elkemoeite omdewijnballen. Demoe-der kijkt al dien tijd vóór zich, op een kous over haar arm gespannen: de uitwerking van de beide slagen op Mau’s roodgestriemde gezicht heeft voor allen de acte van beschuldiging tot iets onleesbaars gemaakt; oorzaak en daad vervagen ineen tot één grond; de gezamenlijke misdaad van hun armoede, en die zij wel openlijk als oorzaak zouden erkennen, als zij van elke kans op groeps-orde zouden willen afzien en den volkomen chaos aandurven. In die verheffing vol twijfel boven de handeling uit, staat ook Jankef. Na de eenige straf die hij hier betrachten kan, de klap, en waarvan hij de verkeerdheid voelt; na zijn