der. „Waar zit-ie? Waar zit dat kleine tinnef-nummer ? Hei! Zeg! klein tinnef-nummer! Ben jij niet op de kermis geweest?”
„Jaa,”, knikt hij kort.
„Op de kermis geweest, tinnef-nummertje ? En hebje dan Eli, Ezra, hoe heet-ie: Mau, niet gezien?”
„Gezien?... Jaa...” Hij knikt weer braaf-verbergend. „Hè! wat weet dat kind daar nou van,” (moeder.) „Laat dat kind daar nou maar buiten, jij.”
Jozef, die in een hoek zit te lezen:
„Uitstekend, Moeder. Zie je wel? Je bent nog wel ’s verstandig, waarachtig, je hadt bij het openbaar onderwijs moeten gaan!”
„Wat nou!” verweert vader zich: „Hij heeft toch zeker wel oogen in zijn kop? dat kleine tinnef-nummertje? Daar mankeert het hem toch zeker niet aan? Nou? Niks bizonders van apartigheid gezien? Van boevige inbre-kersbewegingen of zoo temet?”
Allen grinniken, ook Jozef nu, en Eli doet gedwongen wat mee. Maar daar gaat de deur al open en Mau komt binnen. Stilte. Vijandigheid, een beetje kwaadaardig door het stoken tijdens zijn afwezigheid. Eli loert, zijn hoofd neer, gespannen op. Vader heft zijn hoofd verontwaardigd, bang voor de consekwenties als hij niet straft; en ook een beetje blij met zijn boeiende politie-rol. „Meneer? — Goeienavond meneer! — Wil meneer misschien eventjes een klein beetje naderbij komen? Als het meneer niet teveel moeite is ? — Ik kan meneer niet zoo heel erg bijster goed zien, ziet U ? — Lea, maak jij de deur eens even dicht. Zoo. Wil meneer nou wel dadelijk onmiddellijk zijn geld hier afgeven?” — Een dreiging van oogen.
In de stilte-spanning zoekt Mau zonder een woord in zijn broekzak, en geeft vreesachtig een paar kwartjes over. „Is dat alles van meneer? — Zoo, dan zullen we meneer nog even moeten fouilleeren. Als meneer het goedvindt.”
Jankef leeft zoo in zijn spel, dat hij zijn maatschappelijke vaderplaats bijna vergeten voelt. Hij kan niet werkelijk optreden in deze botsingen; hij klapt uit de school van