komt sterker op, en zijn plezier valt een bedroevend eind neer, tot smartelijkheid; dat gevoel van straks, van een gezamenlijk genieten op een grondslag van schuldigheid, is er nu zonder twijfeling. Het geheimzinnige van die vrijgevigheid, van dien rijkdom aan geld, — meer dan een gulden alleen voor die kaartjes hier — wordt een achtergrond die beangstigend is, en hij vreest een ontzettenden afloop van al dit heerlijks. Maar al is er dat ernstige, dat verdrietige in hem, hij voelt zich nu diep verbonden met Mau, onontkoombaar, en, met een innerlijken ruk: welkom ingeschakeld aan diens lot van vanavond. Goed, het is toch maar een heerlijke broer, Mau, een lekker goed groot broertje van thuis, om hier mee in zoo’n tent te zitten, waar je nooit aan gedacht hebt, datje er in zou komen. Hij schurkt zich nog eens tegen den groote aan, en ziet van terzij diens blondige gezicht met den grooten neus en den grooten mond, in een innigheid, die hem gelukkig maakt. De taterende koper- en trommelmuziek verbrijzelt zijn gedachten, en dan neemt de vertooning zijn aandacht op: allerlei verbazende werkingen met de electrische kracht: wagentjes die zonder zichtbare besturing gaan loopen; trommels die, louter aan een draad verbonden, door hun stokken worden bespeeld; maar het mooiste, het prachtige en onvergetelijke van de korte voorstelling is, op dat donkere scherm, dat drama met het dorpskerkje, eenzaam, in een maannacht die een onweersnacht wordt. Bliksemflitsen breken uit de duistere lucht, en knetteren. Een springende straal van hoeken schiet uit den hemel door den toren in de kerk; tegen de donkere ramen plast het licht, en een brandvlam spat uiteen naar alle zijden. Hij slaat door dak en muren, en in den rondom donkeren nacht staat het eenzame kerkje in brand, sissend en krakend en verbrokkelend.
Zij staan buiten; Eli rilt een beetje van een kilheidje; de kermis om hem heen is nu als een groote, staag werkende machine, wier gang hem bedroevend vermoeit. — „Prachtig, hè?”, zegt Mau. — ,,Ja, prachtig,” zegt hij ineengedoken. En wat hij heeft moeten verwachten, komt meteen. „Ga nou naar huis hoor,” zegt de groote, „anders krijg je. ’t Is tien uur.”
111