witten punthoed, zijn armoedige goudplunje en zijn gezicht vol verf, met zijn eigen handen het geluid van een klap maakt op het oogenblik dat de gesjochten direktcur met zijn straffende hand langs de toegetakelde wangen zwaait, alsof de nar een geweldige pats krijgt. En als de pias dan roept: „Bloed! Bloed!” — „Waar, bloed?” — „Bij de slaaaager!” — Hij weet wel dat het flauw is, maar de menschen lachen, en als de menschen lachen, is het dan niet goed en heerlijk? De menschen lachen, en hij lacht ook, en het is warm om hem heen en lekker, als een genezende, verblijdende troost. Want de lach is hier zoo anders dan ginds bij de dronkenlallers, zoo zonder geweld, zoo veel milder, en ontspannend: een stukje bevrij-ding. Maar als zij weer opstappen en Mau zegt: „En wat nou nog? zullen wij nou nog ’s wat fijns gaan zien, hè? verdomme?”, dan loopt hij nog wel weer vol met verwachting, maar toch is er een lichte verstarring in hem, een angst, want het is toch of hij, door dit steeds onzekerder wordende plezier heen, ergens wordt heengedreven, waar hem iets treurigs wacht. Het is toch of hem plezier wordt opgedrongen, dat hij zoo niet kiezen zou. Er zit een angst-luchtjc voor hem aan, en hij moet wel meedoen, om het plezier dat zoo onverwacht en zoo begeerlijk is, en om Mau...
Zij gaan in de tent van de „Wonderen der Electrische Kracht”. Electriciteit blijft iets nieuws, en dat spel hier is iets wonderbaarlijks voor hun oogen. Hij zit naast zijn broer in de tent op een onbekleedc bank, en nu is de feestelijkheid werkelijk een oogenblikje vol. Want hier in die tent is het voor de blikken die hier uitgaanskleeren ei-schen, veilig: zoodra de vertooning begint, wordt de toc-schouwers-ruimte in donker gezet, en nu is alle gevaar van vijandigheid tegen hun uiterlijk opgeheven. Eli schurkt zich van genoegen op de harde bank, en vol dankbaarheid en verwachting van het gegarandeerd-prachti-ge dat zal komen, drukt hij een oogenblik Mau’s hand. Maar Mau moet het nu wel bederven: „Hoor’s... je houdt je smoel thuis, hoor? — Niet zeggen dat we hier geweest zijn, hoor. Hoor?” — Eli knikt stil van nee, en weet, dat hij niets van de reden kan vragen. Maar de onzekerheid i io