klaar. Mau staat verslagen, en bevrijd; hij begint te begrijpen dat de zeven gestolen guldens van vanmiddag toch niet heelcmaal voldoende zijn om hem hier tot een erkende te maken. „Eerst eens een nieuw pak,” bedenkt hij, terwijl hij zich tamelijk alleen voelt staan, ,,cn een paar nieuwe schoenen, en een nieuwe hoed, en dan vooral nog een nieuwe naam derbij, dan is er misschien wel een begin van een kansje bij dat goedje!” Hij gooit zich naar een snoepkraam, en gaat wat koopen. „Geld is er godver... daar! wat zegt u dervan juffrouw. Ze kennen met mekaar de kreng krijgen, op hun kermis, wat zegt u dervan juffrouw. Geef mijn vijf reepen voor twee kwartjes. Wat een zorg heb ik. Barsten in de jenever met hun vijfduizenden vanavond. (Eén mag gespaard blijven, en dat is Marietje; dat velletje is goed, zoowaar zal op dit oogenblik die oliebol hun laatste zijn; volgende week heeft ze weer een naai-dagje bij zijn moeder, dan zal-ie d’r toch eens thuisbrengen, al is het dichtbij; men kan veel doen in een klein endje straat, o zoo. Marietje blijft vanavond vergeefs gezocht, dat is zijn liefje, dat is in orde). Hè ja, dat is alles wat hij heeft voor zijn heele benauwd in elkaar gedraaide lef-foef met de kilo’s en de kwaliteiten, waar hij voor bloeden zal, als Vader het onder de oogen krijgt; een rcuze-sof, een pest-sof; daar godverdomme, geef mijn twee dubbeltjes zuurballen; elk eentje in hun keel tot morgenochtend wat zegt u nou juffrouw! ik zeg ze zijn mooi, die wijnballen. Als ze allemaal gepijgerd zijn, heb je nog niks: de velletjes zijn geen poosjet (cent) waard. Ik zeg mijn een doos cigaretjes voor twee kwartjes juffrouw. Een beetje vuur? Nou natuurlijk, hè, reken maar. In jullie rokken. Echt vuur, dat is fatsoenlijk ook. Je steekt er maar de brand in. Welzeker juffrouw, dat zeg ik ook. De brand erin allemaal. Dag juffrouw. Ik heb wel de eer. Krijg de koleer. En dan geen uur meer.” (Marietje uitgezonderd. Die geeft hem de bevrediging van iets, zoover zonder beproeving en teleurstelling verwijderd, dat het zijne is).
„Bóh!” —- Hij wendt zich, en staat. Verloren en verlaten in het omhossende gebrul en het gelamenteer en het gegil van de hangende gaargeknepen vrouwen.
107