afgeleverd, en hij is vanavond, met zeven achtergehou-den zilveren guldens prikkend in zijn zak, toevallig op de kermis terecht gekomen. Eerst heeft hij nog zichzelf bepraat met het voornemen, ze niet te houden, en bij het thuiskomen met een smoes een verdere afrekening te geven. Want hij gapt altijd iets; maar zeven gulden, dat is zes en een half meer dan anders; dat is onmogelijk en angstwekkend veel, en hij weet wel dat het dadelijk gemerkt moet worden, als vader het na gaat zien, wanneer die thuis komt. Maar hij is met het geld en met de smoes de kermis opgegaan, en onder de heete begeerte naar de lust met volle handen, leerde hij de macht kennen van die guldens in zijn zak. Zeven guldens! Éénmaal eens iets werkelijk fatsoenlijks in je zak. Er moet dan in godsnaam maar gebeuren wat gebeuren wil, maar ze zijn voor vanavond eens van hem, al zal hij ze natuurlijk niet uitgeven; niet meer dan een stukje maar ervan.
Het huis moet vergeten; het huis is vijandig, het houdt hem kort; het mishandelt hem met zijn armoede en zijn achteruitgezetheid van allen, waardoor ook hij, van uur tot uur, in de uitleving van zijn geweldige verlangens wordt vastgehouden tot schreeuwens toe. Hij heeft een lust om in de wereld te bijten en zich vol te eten aan rauw en rijp, en zijn portemonnaic te gebruiken en zilver te laten rinkelen, en een man te zijn. Hij heeft een haatje van wat-ben-je-me aan de wereld van de mijnhee-ren, die precies met alles schoot gaan waar hij naar smacht, en hij wil zich op die wereld wreken met twee uur op een mijnheer te lijken. Hij weet nog niet hoeveel hij van huis vergeten moet, om een mijnheer te worden; vanavond krijgt hij een van zijn stevige lesjes, al weet hij ze nog niet te benutten, al is zijn winst nog maar bijna enkel bijtende wond. Ja, wat moet hij nu doen met al dat geld ? Het vage gevoel dat hij het groote, dat wat het zeldzame dekt van die som, niet krijgen zal, en dat hij wel met een massa kleine genietingen tevreden zal moeten zijn — verlamt zijn aanloop al. Eindelijk is er maar één ding, dat hij als het bereikbare zeldzame wil. Dat schiet hem door het lichaam; dat doet hem ontsteld zijn van verlangen, en gaat de inlioud van heel de kermis voor
104