zichten grauw onder het overliggend haar, en op dat vaal van de gezichten ziet hij, teruggruwend, wat hij het ergste vindt in de wereld: bloed. Dat slaat een flauw gevoel in hem neer, en hij weet niets anders meer te doen dan, van belemmerend lijf tot lijf, zich weg te duwen, tot hij eindelijk op-ademend aan den wallekant staat. Daar, tegen een boom zich herstellend, bij het rustige blauwge-schilderde kermisscheepje, ziet hij tel na tel het beeld zich ontzenuwend voor hem vernieuwen: het kleine stoetje, woelig en schreeuwend omdromd, en die hangende lichamen met de granwbleeke hoofden en de willooze oogen, en het bloed. Hij kan het niet verwerken, alles is er stil van in hem. Het ccnige dat hij weet: het hoort bij de kermis; het is van de kermis. Hij is verslagen. En hij wil naar huis.
102