weg en kijkt sterk-onverschillig langs hem heen. En toch, opeens, daar valt een groote hand van achter op zijn hoofd, zacht-gewelddadig, zacht-zvvaar, alsof het eerst als een slag bedoeld was en onder het doen de kwaadaardigheid werd teruggenomen en in goedigheid eindigt. De hand, alsof zij steun zoekt, schudt Eli’s hoofd op zijn wrikkenden hals heen cn weer. Hij schrikt en springt op zij. Een groote kerel met snorren, een klein tikje maar aangeschoten, nikt met goedkeurend-groetend gesloten mond naar hem, in een koeiigen, toch dronken blik. Met scherpe juistheid heeft Eli, wijkend, dien aandrang begrepen naar de vastheid van zijn stilte, als van een dier, dat wel mensch zou willen worden, cn toch de kracht van zijn schoften niet wil missen.
De man staat stil en ziet alsof hij van niets weet, in onbewogenheid schuldig, langs hem heen, en Eli maakt zich uit de voeten, moet zich vrij baan duwen tusschen een dicht bijeen voortschuivend pak stevig bedaarde feestelingen langs de speelgoedkramen. Nog juist ontkomt hij springend uit een grooten kring, die wel van drie kanten aanrennende ritsen gearmde boeren en burgerjongens, allen met meiden, op elkander stuitend, aanccnbinden. Hij moet stil lachen om het ncusklankig geloei en het zui-gelingcngehuil, dat velen van hen uit hun mirletons, hun gekleurde blazen en hun rooie op-en-uitkrullendc flappers zeuren, en omdat zij nu daar zoo tegenover elkaar blijven staan trappelen en tegen elkaar op-blerren, alle balk-liedcren van de kermis door elkaar, terwijl zij vreemd maar wild tegen elkaar lachen, hoeden, petten en klee-ren met de zachte pcpermuntjes-kleuren en-vormen van de confetti bestrooid die overal rond-sneeuwt, cn in de afknappende slingers van de serpentines die als drijfriemp-jes tollend afwikkelen en dan als wimpels fladderen, in de dikke lucht van het duizel-volle kermisplein, dat wel een groote zaal lijkt.
,,A-tjeu wij moc-tcn Ellc-kander groc-ten”
Een andere rij danst er tegen in; wild slaan de schoenen op de keien:
ioo