heid die hij in dat alles voelt, toch een voor zichzelf nog met niets uitgesproken vriendschap met de menschen. Die is als een zachte, verborgen brand onder in zijn keel en achter in zijn hoofd, maar waarin hij toch steeds wijkend is, tusschen de menschenklitten door, de handen in zijn broekzakken. Hij heeft al geleerd zich te bedekken, om niet op te vallen en getreiterd te worden. Op straat, op die oogenblikken dat hij de jongens en meiden, en soms ook wel de mannen en vrouwen als heelcmaal vijandig voelt. Want het is niet altijd hetzelfde met hun: soms is het, als hij aankomt, alsof ze met hem ingenomen zijn; hij heeft een goeie bui, en had er geen erg in dat hij naar hun zin liep, tot hij het merkt. Zij keeren zich vriéndelijk naar hem om, en zeggen iets prettigs tot elkaar over het joodje; ja, hij krijgt als hij zich omkeert, een knik: wat een geschenk op zoo’n dag! Zij worden mooi, en hij voelt zich mooi; samen zijn zij mooi, en het wordt er open en heerlijk van om je heen. Maar pas op, denk daar niet aan, den volgenden keer, want als je dan vrij ópkijkt, wanneer je ze voorbijgaat waar zij bij elkaar staan of loopen, dan schrik je ineens; je bloed lijkt geschud te worden in je hoofd: zij lachen je opeens hard uit, de straat over, en als daardoor het loopen niet meer vast gaat en je beenen een beetje slingeren, dan roepen ze je pesterige geluiden na; je zoekt in je zelf waarom, maar het is niet te vinden. Langzaam is hij gaan leeren, allerlei kunstjes uit te halen om hen af te leiden, als hij voelt, hoe hij als iets dat hen steekt en opjaagt, tusschen hen aankomt. Het is of hij scherpten in zich moet afronden, wanneer hij dat inhaken aan zijn bezetheid vreest. Hij maakt zich in schijn aan hun kleinheid gelijk, hij speelt hun versnippering van het leven. Denkt zich ergens een jeukje aan zijn kuit en loopt zoo al wrijvend voorbij. Sleept met een pijnlijken voet en trekt een rimpelgezicht dat daarmee bezig is; pakt zijn kous alsof daaraan iets niet in orde is en doet daardoor bezet en gehinderd; hij is er een van de gekwelde massa mee, op wien men niet let. Als het gevaar dreigend is van vlakbij, staat hij maar plotseling stil en kijkt iets na: een opvallend mensch, dien hij altijd veiliger weet dan zichzelf, of, met een goedgespcelden vriende-
98