ken zijn er bij hoort; dat niemand het een ander kwalijk neemt en het beschouwd wordt als iets zoo eenvoudigs als datje moe wordt wanneer je toch veel geloopen hebt. „Vreten!” roepen zij elkaar toe. „Toe, Godverdomme” — zoo moedigen zij elkaar aan om zure en zoute haring en uien en augurken te slobberen. Zij pakken ze in hun handen en vreten ze van zich af, dat het nat op den grond druipt; en dat de meisjes en vrouwen het ook doen, precies zoo, als een soort drankje of poeiertje waarmee ze weer verder kunnen gaan drinken met die kerels, dat is verschrikkelijk om te zien. Hij kan er niet lang staan, want de stank van al die luchten bij elkaar is niet te verdragen; hij rilt ervan, het is haast nog erger dan de rot-botten van het afleveren. Steeds weer is er de spanning om te blijven kijken, om het vreemde, het heel andere dan jezelf bent, te zien, en het verschil te voelen dat bang maakt. Hè! het licht en de draaiing en het gegons en al die muzieken weer toegewend, ruikt hij weer de oliebollen, dat herstelt en verwarmt even. Daar staat hij voor een groepje sigarenmakers met hun vrouwen; alles hangt scheef aan ze; petten, snorren, en de koppen zelf op de magere nekken. Zij hebben geen boorden of dassen om, maar hun vesten en jassen direkt over hun vuile overhemden; en de vrouwen, bleek en schraal, zijn zoo van het huiswerk mcegeloopen, blootshoofds. Zij staan tegen elkaar te zingen alsof zij elkaar dat liedje vooral in herinnering moeten brengen, zoo alsof het een soort plechtig feestlied is, dat voor dit oogenblik precies is afgesproken:
„En de sigaremakersjongens Die zijn wit van kleur,
Wit van kleur,
Wit van kleur.
En de sigaremakersjonges Die zijn wit van kleur,
Wit van, wit van kleur!”
De vrouwen zingen ook mee, met altijd weer dienzelfden vreemden glimlach, die hem vasthoudt en dien hij toch beangstigend vindt. Zoo heeft hij ook tegenover de vijandig-
97