werkelijk bijna verdrietig verlangen naar een beetje zon.
Een beetje zon! een beetje warme zon dan; een beetje zomerzon bedoel ik; daar schijn ik eigenlijk bij het van huis gaan een beetje op gerekend te hebben! Voor mijn loflied dan.
Maar daar sta ik, onnoozele; bibberend kijk ik in die wereld vol heerlijkheid, waaraan ik geen deel hebben kan; en die ik nochtans kom bezingen, moet bezingen____
„Hoe schoon zijn Uw tenten, Jacob....
Uw woningen, Israël____
Als wijd-rennende valleien,
Als hoven aan de rivier gezet,____
Als God-geplante aloë’s,
Als cederen aan het water----”
H’m!____ is het niet een beetje véél lof, voor
die paar schooreme koekesoopies op dat kille, stijve pap-vlak en tusschen die barre winter-oevers in____?
,Ja, maar”, zegt mijn tegenstander, „dan moet je ook rijden, dan vergéét je de kou”.
O! moet ik die vergeten! Ja, maar ik vergeet niet graag! Dus ik moet meedoen, en vergeten. (Behalve dan nog een derde mogelijkheid). Ja,
69