IJS.
Wij waren van plan, een loflied te schrijven op het ijs____Maar het is mij
gegaan als Bileam: mijn boodschap totaal vergeten. Ik begon, eerlijk gezegd, al erg te aarzelen, toen ik goed en wel in de buurt van die strak-grijze baan kwam.
Ik was al zoo koud ! En geen spoor van mijn geestdrift, waarmee ik, bij de kachel dan, toch zoo goed had afgesproken. Niet, dat het er uitziet, alsof die rijders en glijders en sleeërs zich niet geweldig amuseeren. Het lijkt er inderdaad véél op.
Maar wat moet ik beginnen met zulke verschrikkelijke koue voeten? De oostenwind snijdt mij in mijn vorstelijke nek (dat wil zeggen, als ik mij omdraai, anders kerft hij me schaamteloos in mijn gezichtshuid). Ik vind de natuur niets gastvrij; ik kan nergens behoorlijk een uurtje gaan liggen, en ik krijg een
68