voor redding houdt, en tegen die onverschillige belangstelling waarmee de heer de geestelijke ontmanning van den Joodschen overwonnene zal bijwonen. Simcha weet niet dat deze lange, rauwe kerel met den kop van een tevreden roofvogel, Emmicho is, Otto’s vader; maar dat hij de moorden van Worms heeft aangevoerd, dat begrijpt hij gemakkelijk. De Priester had zijn hand al in het wijwater van het Doopvont, en wilde naderen.
„Wilt gij mij doopen?” vroeg Simcha luid.
„Ja, gij wordt gedoopt.”
„Laat mij dan een oogenblik los. Ik wil niet gedoopt worden tusschen twee knechten in, en met vastgenepen armen. Laat mij los!” brulde hij tot schrik van zijn beide opbrengers.
Zij lieten hem los. Hij hoorde achter zich het aanruischen van meer bezoekers die de plechtigheid wilden beleven. Emmicho zag in de oogen van den Knaap nog de flikkering. Een kleine lichte, maar sterk gevoede vlam scheen zich tot over zijn voorhoofd uit te breiden. Maar de ridder had geen tijd meer, zich te weer te stellen. Simcha’s zwaard stond al tegen zijn lichaam; vol Daad, gezwollen, berstend van Daad stond nu het leven van den Knaap. Hij riep luidkeels:
„Voor al mijn dooden! Eén!” en zag von Leiningen bleek wegvallen, want de stoot was zoo verschrikkelijk geladen, dat Simcha in het voorovertuimelen enkel nog houvast had aan zijn zwaard. Daarna zag hij alleen nog schemerig en gebroken, de gestalte van Heinrich, terwijl hij ineenzonk onder de krampen van twintig wonden, door lansen, bijlen en scheurende messen, van alle kanten bij een loeiend en kletterend tumult naar hem gestoken. Om de macht ging het bij de Christenen, volstrekt en zonder leemte. Geen straf mocht de Jood toedienen, en tegen dat rechts- en zelfbewustzijn van den Knaap die zich hooghartig en in uiterste gewisheid als wreker en dus als straffer stelde, wierp zich de alge-meene aanval.
„Sjemang Jisroyl,” klonk het als een laatste groet van vriendschap uit die wereld van de Christenen. Voor zijn jongen meester wien hij het Nachtgebed had geleerd, sprak Heinrich het uit, met wilde oogen, toen hij hem zag neer-
393