der. Zij liepen in den zachten zomerregen de ruimten tus-schen de verwoeste huizen van de Wormser Joden door; evenals in Keulen was de Kerk daar vlakbij. Even vóór men hem de Kerk induwde, streefde hij tegen; zijn bloed scheen stil te staan en terug te schokken, en hij vroeg zich af, of hij nu opnieuw een Verschijning had gezien? Twee jonge vrouwen, van twee richtingen aangewandeld, elk naast een Christen, een walbroeder, dringen hun glanzende lichtende wezen in zijn gezichtskring, en in zijn rouwende verbeelding: Hanna hier, daar Golda. Hanna, naar wie zijn liefde al dien tijd met afgewende hunkering schijnt te hebben gebloeid; Golda, wier dood hem zooeven bij de resten van het vaderhuis nog door het hart heeft gekrampt. De volle krachtige onstuimige Hanna; de blankbruine slanke Golda, — want de Hacohens hebben mooie figuren — verschijnen op den rand van zijn leven als een overstelpende vertroosting en een schroeiende foltering tegelijk. Hij kon niet terug om zekerheid te krijgen, want de beide walbroe-ders verklaarden zijn tegenstand als verzet tegen den doop, en uit vrees voor den smaad van een vlucht, sleurden zij hem met alle kracht naar binnen. Zoo betrad hij de Kerk, en met een verschietende gedachte aan het wonderlijke bestel om de menschen in hun begrip tot elkander, want hij denkt alleen te zijn, en zijn zij hem niet gevolgd en wachten zij hem hier niet op? alsof hij toch voor hen allen hier gekomen was? Hij begon het sterker te gelooven en snel zag hij alles zich voltrekken: een monnik die toe kwam loopen en zich terughaastte naar het doopvat. En terwijl in den achtergrond van zijn verbeelding de beide meisjes glanzend bleven staan, het naderen van dien goren blassen, niet meer jongen ridder, bij het Doopvont, gemelijk al was het met een glimlach om zijn dikken grijzenden snor en niet eens in zijn koude, grijsblauwe oogen. Een laatste bloei van Simcha’s jonge heerlijkheid om de geliefden heen, een bloei die tegelijkertijd doorstoken staat met de diepe wond van haar onbereikbaarheid, haar ontrooving en haar verontreiniging. En die bloei barst uiteen in opstand tegen den kalmen waan, waarmee de priester komt om hem ongewild de bevriezing te schenken die hij
392