zakje met heilige aarde uit Eerets Jisroyl onder hun hoofd gekregen en wel hun witte doodshemden aan? Neen, de achterlijke vijanden hebben zijn dooden uit zijn blik gejaagd, dat hij niets van hen bereiken kan, hen voor de wereld niet zijn liefde en saamhoorigheid kan toonen. Een grafsteen zal hij voor hen verzorgen, zoodra hij hen gevonden heeft, zoo-als hij op de begraafplaats van Worms gezien heeft op het graf van Rebekka, dochter van Rabbi Isaac Ha-Levi, Ra-schi’s leeraar. Ach, daar zag hij een blad met Hebreeuwsche letterteekens beschreven, tusschen al die scherven en resten op den bemodderden plankenvloer liggen. Dat mag een Jood niet verwaarloosd laten, en bovendien, hoe onvergelijkelijk dierbaar is het. Simcha bukte zich snel om het tot zich te nemen: een blad van Vaders gebedenboek, een kostbaarheid, waarvoor hij stellig een groote reis zou willen maken. Want hier is de geest van het huis die de geest is van alle duizenden en honderdduizenden, en die levende scherf daarvan waarop alle innigheid schemert van de oogen die het lazen, die bewaart men tot zijn dood, omdat de smart om de afsnijding er altijd weer tot maning aan de zieke vijandschap overheen scheert. Hij hield het stukje pergament dat door den regen zijn schrift dreigde te verliezen, voorzichtig tusschen zijn vingers; toen hij zich weer oprichtte met het voornemen, het zorgzaam te laten drogen, waren zijn beide armen vastgegrepen. Hij zag eerst gestoord op. Toen wist hij dadelijk dat hij dit had kunnen verwachten.
„Snel met hem!” hoorde hij zeggen, „naar de Kerk!”
„Er wordt u geen leed gedaan, Reb Simcha,” zei de ander, „gij wordt enkel gedoopt, dat is gebod!”
Simcha zag schielijk heen en weer weg van den man die dat gezegd had; het was een van Vader’s vroegere vaarknech-ten die zijn schip had helpen vernietigen. Het loon was verbrast, en hij meende nu een nieuwen en kansvoller werkkring gevonden te hebben. De man sprak nog door, terwijl hij zijn vroegeren jongen meester vasthield:
„Niets anders dan even doopen; niemand zal u leed doen, wij zijn geen moordenaars. Ga maar met ons en straks zijt ge weer vrij.” Daar hij geen antwoord kreeg, sprak hij nog ver-
391