gespeeld in de tusschendagen van het Paaschfeest, scheen in een laatste uitleving van haat en afgunst opengesneden en geleegd, en nog meer speelgoed is met messen en bijlen onbruikbaar gemaakt, als in een van vrees vervulde poging, alle heerlijkheid van de Jodenjeugd voor altijd tusschen de menschen uit te wisschen. Hij stond er radeloos voor, te vol met pijnigende herinnering aan dit gelukkige leven en zijn volledige afsnijding. Elk stukje hout, ijzer of steen had een stem, die, als de boomen in het bosch dien nacht met Hanna, klagelijk mompelde over dat onherroepelijk lot. De Wensch vertelde zijn inhoud, de bestemming van de kracht voor het menschelijk leven. En de Stem verweet manend de gewelddadige beëindiging van die taak. Als hield hij nu een wild gesprek, zoo doorkruisten vele vragen Simcha’s gedachten: Wie heeft hen gedood? Wie Vader? Wie Moeder? Wie de vier kleine jongens, wie de drie groote, en hoe? De groote? En wie Golda? Hoe hebben zij hen allen gedood? Zijn zij allen gedood? Hoe weet hij het? Waarom hebben zij niet terug-gedood? — Ach, ze zijn immers overvallen, zij zijn immers door een groote menigte overvallen die binnendrong, achter, ginds achter, en die zonder een oogenblik aarzeling en zonder een woord aan het moorden begon? — En weer die steeds onbeantwoorde vraag: hoe kan men kinderen doodsteken, van acht, van tien en twaalf jaar, die u aanzien met een blik vol verwachting van het leven en vol vertrouwen in den volwassene? Met wrok en wegvegende verwerping denkt hij nog eens aan den monnik en de vrouwelijke Heremiet, die het niet wagen, de schande van hun volgelingen te zien en nog meenen dat hij zich moet haasten om een van de hunnen te worden die dit doen of het dulden. Alles is verraad dat de laagheid niet met inzet van het leven te-gentreedt; elk zwijgen, elke afzijdigheid; zij zijn sluwe werkzaamheden tegen ons, dacht hij, sluw mededaderschap zijn zij, laffe goedkeuring en ook heimelijke bevrediging van wrok, die aanmatigende geringschatting is en vrees. En daarna komen andere vragen, vragen van de verpletterd-heid waarin, een oogenblik maar, de opstand zijn vlammen dekt: wie heeft hen dan allen begraven? Hebben zij wel een
390