de uitzinnige misdaden van de massa’s, door die massa zelf uitgezonden en in één wezen opgehoopt en te werk gesteld. Simcha kon een oogenblik die volharding in de ontbering bewonderen, hij weigerde zijn dieperen eerbied aan dat leven dat het kwaad volop liet afwikkelen en daarna, buiten alle verband met de menschen, om genezing en vergiffenis bad. Ook hier bleef die aanmatiging hem steken die in zijn berooidheid nog dorst doorklinken. Hij vond groote kracht tot doorzetting bij de vrouwelijke Heremiet; geen mildheid zooals hij ze vroeg, geen diepe gevoeligheid op schuld en slachtoffer. Hij kwam den anderen dag voor Worms. Hij kon er niet omheen, hij voorvoelde gevaar, maar hij moest Worms zien. Een beven tot in zijn uiterste ledematen verbond zich met doodsgedachten. Hij geloofde, te kunnen sterven, maar de levenswil ontkende het: in Worms was de vervolging nu geëindigd, en hij zou zich niet roekeloos blootgeven. Waarom is het lichaam huiverig tegenover het Einde, als toch het Eeuwige Leven voor den goeden mensch is weggelegd? Hoe verschillend hebben de Schriftgeleerden geoordeeld over den toegang tot het Paradijs. Velen, onder de smart der vervolgingen en den blijvenden haat der Christenen, kenden alleen den Joden de Opstanding toe, het feest van den Messias is een Joodsch feest, en alle vijanden varen ter helle. Sommigen nemen aan dat zelfs de zondige Joden den Hof Eden zullen binnengaan; anderen gelooven dat met de vijanden van Israël, ook de misdadigen onder de Joden twaalf maanden in het vagevuur zullen branden en daarna voor eeuwig vernietigd worden. Mild en vol verwachting zegt in de derde eeuw na Christus, Rabbi Josua ben Levi: ,,de dood zal eenmaal eindigen, bij Israël zoowel als bij de andere volkeren.” Dertig jaar geleden schreef Benjamin ben Serach: ,,al sterven mensch en dier op gelijke wijze lijfelijk, de menschelijke geest beleeft de opstanding, en niet het dier.” En pas zes jaar terug, in 1090, Rabbi Salomo: ,,de niet-Joden die geen misdadigers zijn, zullen deel hebben aan het Eeuwige Leven.” De uitspraak van Benjamin stemt Simcha trotsch, die gedachte sluit aan bij den hoogen dunk van den menschelijken levens-arbeid dien hij met zich omdraagt.
388