land met het zwaard ombrengen?”
Zij sloeg een kruis.
,,Zijt gij een Jood?” Bevend vroeg het die stem.
„Ja. Al de mijnen zijn door uw Christenen geslacht.” Roerloos zat zij, met haar blik op hem.
„Wie het zwaard opneemt, die zal door het zwaard vergaan. De Joden ombrengen.... Jezus Christus.... Kon ik u troosten, kind, ik zou het, wat het mij ook kosten mocht. Ik zal voor u bidden, met al mijn liefde. O, hoe afschuwelijk zondigt de mensch, in zijn domheid.”
Simcha beet tegen zijn ontroering in om zooveel begaanheid. Het was zijn eigen begaanheid die hij als ontoereikend kende, hij dreef ze op, hij joeg erin met het mes van de bitterheid dat het meelij doorsteken wil.
„Om te stelen!” grijnsde hij naar binnen, naar haar hok vol boeteleed. „Om te rooven hebben zij gemoord, duizenden, van stad tot stad! Al het goud, al het zilver, alle kleeren namen zij van mijn dooden, en loopen er brullend mee over de wegen, met uw Kruis, om verder te moorden!”
Hij wachtte. Langzaam en met nadruk kwam de stem:
„Jezus Christus heeft gestreden tegen de priesters van de Joden, die predikten om zich te verrijken. En dezen moorden en stelen, in Zijn naam. De Joden zijn schuldig. Zij willen Hem niet kennen. De anderen zijn schuldiger, die rechters willen zijn, en bloedvergieten om het Goed. Ik moet nog vaster bidden opdat hun zielen gered worden. O, wij zijn zwak. Kind, ik bid voor allen, ook voor u. Kondt gij mij helpen....” Half huilend riep hij haar toe:
„Geeft gij mij de mijnen terug, met uw gebed en uw opsluiting?”
„Ja, ook ik ben schuldig,” zei zij verschrikt.
„Bid!” schreeuwde hij, tot tranen toe in verontwaardiging, hoon en onmacht, en hij liet haar naar adem bijtend van ontsteltenis achter. Pas toen hij weer een half uur te paard zat, bracht de kalmte hem terug naar de erkenning van die zelfverloochenende kracht en die harde afwijzing van alle lijfelijke welbehagen. Zij leken op de strengheid van de beste Rabbanniem, maar schenen hier bewuster als tegenwicht tot
387