waarom heeft hij geen kracht om die moeilijke beelden van zijn gedachten te ordenen? Want hoe kunnen Kruisvarende halfmenschen en blinde en berustende Joden in zijn schatting ooit op één punt samen komen? En zoo is het toch zeker in hem: al weet hij nog niet altijd hoe, hij moet eindigen met een antwoord, en niet met een geluid dat versmelt in de massa-kreten van hun ondergang.
Diep in het bosch vond hij een houten huisje, niet grooter dan een klein vertrek, op een paar paaltjes. Hij bond zijn paard vast, de deur stond open. Hij liep het trapje op en deinsde terug. In het halfdonker zat een vrouw in nonnen-kleedij op een houten bank voor een tafel. Haar oogen waren hevig ontstoken; zweren glommen op wangen en handen, over haar kleeren en haar gerimpelde huid bewogen luizen. In den hoek op den houten vloer lag een bos vervuild stroo de wanden en ook het Kruis stonden vol bekropen met dikke vliegen, torren en oorwurmen. Met een ontkennend gebaar van haar hoofd wees zij hem terug:
,,Ge kunt niet binnenkomen,” zei langzaam een stem die onzeker haar weg zocht doordien zij jarenlang bijna niet overluid geklonken had. ,,Geen man mag hier den voet zetten, wie hij ook wezen mag.”
Het was de vraag van een Jood, die in het hart van de Christelijke Leer keek, ja, in een door velen verworpen uitwas daarvan, en die niet wist dat hier niets te vragen viel:
„Woont gij hier? Leeft gij hier?”
Zij antwoordde lankmoedig, na een stilte:
,,Ik tracht de zonden van de wereld te boeten.”
Hij stond op het trapje, vóór den ingang. Vol verzet drong
hij:
,,Kènt gij de zonden van de wereld?”
Weer die langzame blik van de ontstoken oogen naar hem op, van verwondering en telkens herwonnen geduld. Er golfde een afschuwelijke lucht uit het vertrekje.
,,De wereld is verdorven. Wij moeten voor haar bidden. Nooit genoeg voor zooveel zonde.”
Hij moest haar treffen.
,,Weet gij dan dat de Christenen alle Joden van het Rijn-386