niets van hem wist, ,,wat doet ge mij aan! Dolle vlegel!” „Luider!” riep Simcha, „hier! roep hen allen te hulp, roep het klooster leeg. laat hen komen om u te wreken!” Hij sloeg nog eens met zijn lederen gordel naar den kop die voor hem, bij alle boete, nog vol sluwheid zat. Gottschalk, die een harden klap kreeg, week uit achter een vruchtboom.
Simcha bleef staan, hij had een grimmige behoefte aan wraak, aan zwaardslagen, aan tumult van pijnen; hij was bereid zich dood te vechten tegen elk die Gottschalk in bescherming zou nemen. Het baatte hem niet. Hij had gedacht dat het zijn tijd was, maar het was zijn tijd nog niet. Gottschalk vluchtte vernederd den hof in, maar kwam niet terug en niemand verscheen meer. Simcha keerde zich met innerlijke pijn af, en reed weg. Hij wist nog niet wat dan wel zijn doel moest zijn. Het was al twee dagen later, toen zag hij andermaal het tegendeel van die wereld vol dierlijke misgunning, roof en moord. Nog eens twee dagen vol dooreenwentelende herinnering aan jeugd-geluk, erkenning, liefde, en den dolksteek in dat alles. Hij reed in de zon die gedronken werd als diepe afscheidsteugen, en tusschen het groen van grond, struiken en geboomte dat opnieuw, door het zwellend voorgevoel omtrent zijn weg, in vaalheid werd gezet. Hier had hij menig keer den lust om af te stappen en zijn hoofd op de aarde, ja in de aarde neer te leggen, in een toestand van volledige innerlijke gebrokenheid en nederlaag. Door welke wonderlijke kracht bestijgt hij eiken morgen zijn paard weer? Ja, er moet toch nog iets te doen zijn, er is nog iets dat gedaan moet worden, als antwoord aan het einde van die zitting in de Synagoge daar in Keulen, als antwoord aan allen die dit lieten komen, hetzij dat zij spraken: God voert het ons toe, hetzij dat zij riepen: het komt niet. Iets moet nog gedaan worden als antwoord daarop, en als antwoord op hen die het toen werkelijk ook brachten. Het antwoord zou moeten gelden voor die allen tesamen, voor de Joden die hem met den Ban straften, en voor de Kruisvaarders die toen als vanzelfsprekend ook kwamen, want in zijn behoefte aan dat zuiver stellen van zijn eigen plaats, zijn die Joden en die Christenen voor hem één. God van Israël,
25 385