bedding aan met haar prikkelende, opzweepende, bijna tergende ongevormdheid. Zij moest weldra wijken voor het oogenbliks-geloof in de onverzoenlijkheid, en hij voelde ook dat zij het maaksel was van een zelfverzekerdheid, die haar wankelheid had. Maar in den haat van deze moordende Christenen moest vrees leven; lansen, bijlen, zwaarden en kruismessen sloegen naar Mozes, naar Salomo, Makkabi, Hillel en Christus.
Van dien haat ontmoette hij tweemaal op zijn weg den tegenkant. Een verkwikkende jonge zomerdag had de zelfzucht aangesproken van zijn jeugd; het groen kreeg alle volle wisselingen van donker, grijs en licht; beuken en eiken stonden zwaarder in hun dracht en de boschbodem was vol verrassingen van vrije wilde bloemen als steeds zich uitzettende geschenken. Die blinkende dag was juist geëindigd met hem te verwarren omtrent de gebeurtenissen in Mainz, doordien hij boeren had hooren spreken over den Bisschop die de Kruisvaarders tegen de Joden zou hebben binnengehaald omdat zij de stad in brand hadden gestoken. Daar viel hij een monnik op die een wandeling maakte, een krachtig grijzend man met een zuiver gezicht en groote helderblauwe oogen. Die vroeg hem waarheen hij ging en toen Simcha antwoordde: naar Worms, onderzocht de priester hem opnieuw met welgevallen en nieuwsgierigheid. Hij zei dat Worms toch nog zeer ver was, en dat hij graag zijn plicht wilde doen met den heer brood en nachtverblijf te verschaffen daar hij zoo geheel alleen op den weg was en het al duister werd. De heer was misschien van zijn gezelschap afgedwaald, en het klooster was hier.
Simcha keek in die gretige, bijna behoeftige vriendelijkheid, waarvan hij niet begreep dat zij door zijn treffende verschijning in beweging was gebracht.
,,Ik ben een Jood,” zei hij. Hij zag stil voor zich van bittere verbazing toen hij had gemerkt dat het glimlach-licht van die oogen door die mededeeling geen zweem van neerslag kreeg. „Een Jood, heer. Ik zou het niet gezien hebben. Alleen als gij een vermomde vrouw zoudt zijn, mocht ik u niet noo-digen.”
381