den aanval op Keulen, en nadat hij van uitmoording- in Re-gensburg en Metz had hooren spreken, geloofde hij ook in het behoud van Speijer niet langer. En daarmee was de laatste aarzeling zoo goed als vernietigd tegenover de oplossing die zijn walging bezig had gehouden: het bouwen van een nieuw bestaan op al deze graven, tusschen al dit opgelegde eeuwige zwijgen in, waaroverheen de geest nog hangt van de aanmatiging der Christenen, onvergetelijk. Hij meed de groote nederzettingen voor zijn nachtverblijf; bij kleine boeren, in armoedige stulpen, klopte hij ’s avonds aan om een plek voor zijn paard en een bos stroo voor zichzelf, en betaalde met het geld dat hij nog had overgehouden. Zijn wapen verzekerde hem bij die hoorigen voldoende veiligheid, voor zulk een kort oponthoud. Hij had, in oogen, trekken en zelfs in de levende dofheid van zijn huid, de stille uitstraling van die diepe geladenheid, die niemand ongetroffen laat omdat zij zich verbergen wil. Voor de boeren en de reizigers op de wegen leek hij gevaarlijk of heilig, en waar hij overnachtte, droomden de dochters van hem, zonder dat hij ze had opgemerkt. Zijn houding tegenover de wereld van de Christenen was eenvoudig geworden; bij elk dien hij op den weg ontmoette, de hand aan het wapen. De naieve kerkklokjes en twee keeren de dreunende uitwaaiering van een orgel betee-kenden voor hem toestemming en bezieling tot het slachten van de Joden. Eenmaal verborg hij zich in een dicht boschje tegen een kleine af geweken bende Walbroeders die gedeeltelijk te paard en de rest loopend, snel strompelend en zingend voorbijtrokken. Zij gingen gruwelijk uitgedoscht, öf met bengelende vodden, óf met mantels, overkleeden en goede schoenen voor de mannen, kostbare slecht passende keurzen en rokken om de lichamen der vrouwen, die zij kennelijk alle van de lijken der Joden hadden aangetrokken. Simcha’s oogenblik was nog niet gekomen. Hij zag vanuit zijn schuilplaats de wanstaltige uitkomsten van het gebrek, en „wij zijn allen schuldig,” dacht hij; ook wij hebben kwaad gedaan, al was het niet grooter dan dat van zooveel Christenen, al was het zooveel geringer dan dat van de Ridders die het leven ten koste van alle anderen voorwenden
379