hoorbaar. Zij was niet gelukkig in haar sprong. Door haar mankheid ongereed, bezeerde zij zich aan een houten pijler en kwam al bloedend beneden in het water. Daar zag zij Abigail en Gentil worstelen met den neertrekkenden stroom van den Mosel. Burgers van Trier kwamen toegeloopen, begrepen en ontstelden. En lieten haar.
NAAR HUIS.Hij was niet dood, en hij leed niet vreeselijk. Hij zocht van dit alles een juist en afloop voor zichzelf, binnen een bepaalde gewisheid van handelen, die bittere inademing was. De overmacht alleen aanvaardde hij, van hen die moordden en van hen die zwegen, niet de wet van het lot die hun ondergang als eenvoudig en onafwendbaar scheen te stellen. Zoo reed hij als het eenige levende Joodsche verzet door het Rijnland, westelijk van de rivier gebleven, over de met bosch bezette bergen en heuvels en langs de met ossenspannen bewerkte akkers. Hij reed in een nis van stille grimmigheid, de binding van zijn in het bloed meegekregen onderwerping, en van zijn opstand. Een hard gevecht tegen de eenzaamheid vol gevaren, en tegen de radeloosheid die af en toe met boosaardige tikken in het hoofd aanklopte. Want hij wist dat een redding voor langer dan enkele dagen onaannemelijk voor hem was; een weerzin tot in zijn lichamelijken smaak van elk oogenblik, veel dieper nu dan na de slachting in Worms, hield hem daarvan ver verwijderd. Wel had Heinrich zijn meester en Malka dubbel en dwars verzorgd, eer hij in wanhoop zich bij de Kruisvaarders aansloot om Joden te helpen doodslaan die hij hoopte en bad, niet te zullen kennen. Maar zoowel Simcha als het paard behoefden toch onderdak en rust, wilde hij, langs dien omweg, Speijer of Worms bereiken, de beide plaatsen waartusschen gedurende de eerste twee dagen zijn keus nog gestreden had. Speijer, waar hij misschien nog een nieuw leven zou kunnen beginnen, omdat daar immers de Joodsche Gemeente gespaard was gebleven en men hem dus met liefde en hulp zou ontvangen. Maar na den tweeden dag, toen hij een valsch bericht kreeg omtrent
378