den nevel van de wanhoop slachtte hij hen; zij botsten tegen hem aan na den steek, kreunend, en walgend van de wereld. Niets was meer aan hoop in hem, bij dit begeven van de twee knapen, die hij met zooveel zorg voor leven en leer had grootgebracht, en na al dezen twijfel en hoop omtrent hun behoud, waarvoor zij zooveel saamhoorige moeite hadden volbracht. En niets was meer in zijn krachtige bree-de lichaam aan stevigheid over, om zich zelf af doende het leven te nemen: een kramp greep zijn handen, toen hij zich in den hals wilde snijden, de Walbroeders die om hun loon terugkwamen, vonden hem gewond en wezenloos, maar levend. „Gij kunt uw leven nog redden,” zeiden zij, „met den Doop en het berouwT over uw misdraging. Zoo niet, dan moet God’s straf u treffen voor uw hardnekkigheid, dan wordt ge naast de lijken van de uwen levend begraven, omdat ge hen van Christus hebt weggesleurd.”
Hij zat dof, wegzinkend in den top van een berg van vernietiging, en kon niet anders dan weigeren. Toen deed men wat gezegd was. Na een uur naast de drie doode lichamen onder het zand te hebben gelegen, weigerde hij opnieuw, en zoo tot drie maal toe, terwijl de Christenen steeds zwaarder laag aarde op hem legden, om hem tot overgave te dwingen. Die ééne voorganger, voor wien zij zooveel moeite deden, en die hen een sieraad leek aan hun overwinning, ontkwam hun toch in de aarde. Zijn vierkante onverzettelijkheid leefde zich uit bij zijn minachting en zijn afschuw van het leven na het lot van de zijnen en van alle overigen van de Gemeente. En de bitterste dood van heel den eersten Kruistocht werd aan hem voltrokken.
Toen zijn doop-jagers eindelijk de laatste lagen grond op hem geschept en vastgestampt hadden, hoorden boeren van de omgeving heel den dag zijn verzwakkende kreten onder den bodem. Pas in den nacht zweeg de plek bij de kluizenaarswoning.
Het scheen zoo over hen besloten: maar weinigen baatte de vlucht. Als kleine angstige wezens, ingesloten door reuzen, waren zij; waar zij heemenden, raakten zij tusschen de ja
374