werk daar zou worden afgedaan en de stedelingen geen enkel gevaar zouden loopen. Aan elkaar gebonden werden daar de Keulsche Joden den Walbroeders uitgeleverd en met zulk een wildheid omgebracht, dat de lansen en messen met inspanning moesten worden teruggetrokken, dat het een feest was van dansen en springen, bij dichten bloeddamp en groote oogen. Johann Wilhelmsohn en Friedrich von Mün-ster, twee van de vier Christenknapen die zoo onvoorzichtig waren geweest bij hun vriendinnen te blijven, werden hier met haar gedood. Zij wilden ze ontzetten toen zij werden weggesleept, en de verbazing en woede van de Kruisknechten stortte in tientallen bijlslagen op hen neer; zij vielen bewust voor de waardigheid der Christenen van het Duitsche land. Niemand bleef daar over dan Rabbi Sjemarja, zijn vrouw en zijn beide zoons Jacob en Tröstlein. Zij waren bij de uitlevering vergeten en Rabbi Sjemarja, dichtbij het huis van den Bisschoppelijken Rentmeester, bood hem al wat hij bezat voor hun veiligheid. Hij wekte de begeerigheid van den burger en die drong aan op meer; hij vond het niet veel voor zulk een dienst. Radeloos sprak de oude man met zijn kinderen en vroeg den Rentmeester om uitstel. Jacob en Tröstlein moesten heimelijk naar Speijer trekken, de eenige stad in de streek waar de Joodsche Gemeente nog bestond; na een week gevaarlijk reizen kwamen zij terug met een Mark goud, van Speijersche vrienden geleend om hun leven te redden. De Rentmeester bracht hen na dat groote bedrag te hebben aangenomen, buiten de stad, aan den boschkant in een houten huis, de verlaten woning van een kluizenaar. Zij hadden daar samen een nacht verbracht in de meening dat zij nu een groote kans op veiligheid hadden gekregen; toen zond de burger hen ’s ochtends de Walbroeders met de opdracht, hun leven te ontzien, maar hen tot den Doop te dwingen. Rabbi Sjemarja vroeg eindelijk tot den volgenden dag te mogen wachten om zich voor te bereiden, allen waren ziek van overspanning en uitputting. Hij stond den anderen dag in de ochtendschemering op, en na gebeden te hebben, doodde hij met haar goedvinden zijn vrouw, en daarna de beide knapen. In een laaghangenden verstikken-
373