goedige, soms naar vriendschap zieke of ook wel schuldge-voelige Christenen, of van de enkele ontzette Joden die voor het eerst sinds eeuwen weer kortademig en met den blik naar alle kanten door het land slopen, gekrompen door de samentrekking waarmee zij zich klein maakten. Zij vernamen de nieuwste slagen van Kerpen, waar honderd Joden gespaard bleven onder een gewelddadig opgebonden masker, en van de vesting Mors, waar de stadsbevelhebber, door de Kruisvaarders tot het uitleveren van de Joden opgevorderd, hen den Doop had geraden opdat niet hijzelf en de Christenbevolking slachtoffer zouden worden van de onbedwingbare benden. Oneindig scheen de trillende lichaams-en zenuwkracht waarin die landelijke massa’s, eenmaal van hun middelpunt los, zich over de lijken van duizenden Joden heen, leeftocht en steeds wijkend uitzicht op geluk veroverden. Als in Worms, in Mainz, in Magdeburg, Xanten, Regensburg en Praag, vielen zij als sidderende terriërs op ratten, in Mors over de Joden heen, toen de Schout na vele pogingen tot overreding van zijn beschermelingen, eindelijk de poort liet openen. In een woedenden wedloop om den eersten angstkreet gutsten en wrongen zich de belegeraars daardoorheen. Weer kwam de angstkreet niet naar vollen wensch, op het juiste oogenblik. Uit vrees voor zelfmoord die de Kruisvaarders tot razernij en de stad in gevaar zou brengen, had de schout de Joden in al hun onderkomens laten bewaken. Het baatte hem niet, en dezen keer baatte de poging den Joden niet. Jentel en Rebekka, in een torenvertrek opgesloten, zagen de Kruisvaarders de stad binnenzwermen. Zij vergaten het gebod van den bevelhebber, zich gaaf voor de Walbroeders te bewaren, en na twee kleine kinderen te hebben gedood, brachten zij zichzelf, op dat hoogtepunt van angst, in de kleine torenkamer om het leven. In haar ontreddering hadden zij het kleinste kind, een zuigeling, uit het venster geworpen omdat zij elk oogenblik een onderzoek naar hun welstand vreesden; een burger meldde het met schrik, en de schout, in zijn bezorgdheid om de stad, joeg zijn knechten ijlings naar de Joden, die hen uit hun onderkomens en de poort uitdreven opdat het slacht-
372