Een paar uur later, even noordelijker, in Sinzig, plofte het bericht van het aandreunen der stroopers in de tijdelijke woningen van een dertigtal Joodsche families. Zij moesten den beker wijn waarmee zij bezig waren den ingaanden Sabbath te wijden, uit hun handen zetten en vluchtten naar buiten. En weer de kinderen, de meisjes en de knapen, en weer de koude wind van ontzetting waarmee het warme leven dat door hardnekkige hoop onderhouden nog stroomde, werd afgevroren. Een gast, een Rabbi uit Frankrijk die Keulen had willen bezoeken en hen nagereisd was, moest zijn tocht met zijn leven betalen. Hij ging de anderen voor; onder woedend, uitdagend zingen van het Kaddiesj-lied, volgden zij hem in dat mengsel van vervoering en angst dat van het oogenblik was. In dien angst waarvan evenals bij allen, weer de kern de vrees was voor de bezoedeling der vrouwen, en die vervoering van zelfverheerlijking die de opjaging bij hen kweekte, groeven zij hier hun graven waarin zij zichzelf en de hunnen slachtten. De Kruisvaarders vonden hen daar een half uur later en trapten, na de beroo-ving, hun lijken daarin en bedolven ze onder het opgesmeten zand. Verwezen stierf met hen Reb Eliah de vaarknecht, die instee van een schip te kiezen en zich te redden, trouw -uitleving en kameraadschap had gezocht in het volgen van zijn opstandige vrienden. Teleurgesteld als een kind had hij, eenmaal gebleven en voortgedreven in de vaart van het lot, in den nacht van de vlucht uit Keulen om zich heen staan kijken, en zich op een der karren laten duwen na vergeefs op de makkers te hebben gewacht die in de verwarring naar alle kanten verstrooid waren. En troosteloos als een kind had hij hier in Sinzig vier weken rondgeleefd zonder een woord, met een homp brood, een maaltijd bij wie hij binnen durfde gaan en een stuk gebed in de achterste rij van de als Synagoge gebruikte woning, een stroobed op een zolder en de dagen vol dreigende ledigheid. Een karweitje hier, een dienst je daar, zag hij zich met ruwe verblijding toegewezen waar hij het aanbood, om dan toch stadsmen-schen te ruiken waar geen scheepsvolk om hem heen bewoog, of ook geen medemuiters voor het goede en recht-370