ergste; hij komt het van ons overnemen!”
„Neen! Neen!”
De betraande gezichten verstarden. De hoofden knikten instemmend. Alles verstilde, bij verbeten tranen of onderdrukte schokken van snikken. Zij klommen moeizaam, met blootliggende aderen van inspanning, naar den top van de gezamenlijke waardigheid, maar zij vonden hem. Toen, zoo krachtig als hij het nog met zijn heesche stem vermocht en met eischend naar voren gebogen hoofd, zette Gerschom de Belijdenis in. Gebroken zegden de anderen het mee. En de Belijdenis kwam niet meer van de lucht, eer allen voor altoos verstild waren. Drie verschillende roepen van de Belijdenis van den Grooten Verzoendag, nu steeds herhaald, steeds in meerder kelen verstikt, die zwegen in hun bloed. „Sjemang Jisroyl!”
„Hoor Israël! de Eeuwige onze God is een Eenig, Eeuwig Wezen!”
En: „Adounoij Hoe Ho-Elohiem!”
De Eeuwige is de eenige God!”
En dan nog: „Boroeg Sjijm....”
„Geloofd zij de Naam van de heerlijkheid Zijner Regeering, immer en eeuwig!”
Zij riepen het door, overspannen, zelf verheerlijkt. Het hooghartig afscheid van de verachte wereld. Voor hun scherpte, hun liefde, hun levens-uitbouwing naar voren toe in het front van de menschenmaatschappij, was de wereld nog te bot. Verachting diep en brakensvol steeg in hen voor die wereld: haar vuil had zij tegen haar meesters afgescheiden opdat het in hun bloed de handen van de eigen onbekwaamheid vergeefs zou pogen te genezen. Alle blijfsel van stoffelijkheid in de voorstelling week meer en meer tot den laat-sten zweem toe, uit die Belijdenis die een wapenroep werd. Het steeds opnieuw uitgekrijschte „Sjemang”, het „Adou-noj Hoe-Ho-Elohiem”, en het „Boroeg Sjijm” zwol tot een wreede plechtigheid waar het in een steigering van den klemtoon en een ontbinding van het recitatief, werd uitge-stooten en lang aangehouden in het slotwoord: „Wo-èd!”, „en Eeuwig”. Die sprong omhoog van het „Wo-èd!”, steeds
366