bare pijn van die schennis van wat zij met heilige zorgzaamheid rein hadden gehouden, in een vijandschap die hen zooveel eeuwen zonder mogelijkheid van een vergissing was opgedrongen.
„Neen! Neen!” gilden zij.
Snel, snel, dacht Gerschom, zij zijn nu bereid. Meisjes en vrouwen drongen haar halzen naar voren, om het te toonen. „Wij zijn hun knechten niet! Als hun knechten sterven wij niet. Wij sterven als hun meesters! Wie zijn de meesters?” riep de oude man nog eens over hen heen.
Overeind stond de trots van hun levendigheid, van hun volle trouwe liefde aan den geest.
„Wij! Wij!”
„Kinderen! Zoo is het! Wij leggen ons leven niet in handen van onze knechten. Alleen in de hand van den God van Jis-royl! Wilt gij dat ik het eerst sterf? Zeg het!”
„Neen! Neen! Gij het laatst! Gij moet ons helpen!”
Rabbi Gerschom zag wild-besloten rond. Snel, snel moest het gebeuren. Hij greep als met de handen de hulp die kwam. Van den alleroudste kwam hij. Slank als zijn zoon Rabbi Peter, maar van boven gebogen, strompelde de stokoude Rabbi Joëz naar voren. Zijn fijne kop was paars in den dunnen baard; zijn oogen hadden geen wenkbrauwen meer.
„Mijn kind,” zei hij bevend, „ik het eerst.”
Rabbi Peter week terug. Maar toen Mar Juda hem aanzag, sprong hij naar voren, omhelsde zijn vader, en toen hij hem met het mes in den hals trof, onder de eerste losgescheurde kreten van nog dadelijker gruwing riep hij de lof spreuk: „Geloofd zijt Gij Eeuwige! Die Uw naam heiligt, in het openbaar!”
Rabbi Gerschom moest opnieuw het stijgende jammeren bezweren, op het voorbeeld van het eerste bloed dat de oudste, in de armen van zijn doodsbleeken zoon, op diens kleed liet gutsen.
„Zwijgt nu kinderen!” beval hij, „zwijgt nu toch! Zóó mogen zij ons niet vinden! Stilte moet hier zijn, of de Rabban-niem kunnen hun plicht niet doen, en dan gebeurt het aller-
365