op tot een veld van hooge koude vlammen: het loeien van het verzet tegen het onontkoombare en aanvaarde.
Rabbi Gerschom was radeloos. Hij en de drie andere leiders zagen elkaar aan. Was het mogelijk en geoorloofd, elkaar te dooden zoolang de messen van die anderen niet naar hen uitgestoken stonden? De beide broers, Mar Joseph en Mar Juda konden tot het uiterste van wat van hen gevergd werd, nog maar een oogenblik gereed zijn; uitstel zou hun kracht hebben gebroken. De oplossing was natuurlijk: het gedruisch van het leger der Christenen brokkelde van verre op de stilte uit. Dat joeg een nieuwe golf van kreten en gejammer op. Men sprong overeind, en rende dooreen, omhelsde de kinderen en elkaar, en nu begonnen sommigen, vooral vrouwen en meisjes, de armen naar voren te strekken, om hulp, om den dood. Dat was het oogenblik voor Rabbi Gerschom om te handelen.
Hij schreeuwde uitdagend: „Wie is de Thora gegeven? Hun? of ons?”
Een terugschreeuwend koor antwoordde dadelijk bij geheven gezichten en wilde oogen:
„Niet hun! Aan ons!”
„Willen wij het leven van den Jehoedie? Willen wij het hunne?”
„Niet het hunne!”
„Wie heeft de macht van den eenigen God verkondigd? Zij? of wij?”
„Wij!”
„Wie heeft de onbeschaamde domheid van het Heidendom doen wankelen en gebroken? Wij? of zij?”
„Niet zij! Wij! Wij! Onze Thora!”
„Willen wij sterven door hun handen?”
„Neen! Neen!”
„Moeten wij onze meisjes verraden en aan hen uitleveren?” Dat sloeg de laatste beslissing: de afschuw van de lichamelijke opdringing der Kruisvaarders aan hun vrouwen en meisjes, die diepste onteering van hun oude beschaving en van hun lots-eenheid, en dat nog wel door de rauwe mannen van deze verpauperde menigte. Alles tegen de onduld
364