Rabbi Peter zelf ging om het te doen, met een paar burgers, waaronder Reb Abram de goudsmid, die bleek, met knikkende knieën, mede besloten was tot den eenigen overgebleven uitweg. Rabbi Peter zag hem aan en knikte hem toe met gesloten mond. „Om macht,” dacht hij, „doodt men aan den eenen kant. Om macht alleen hadden wij ons kunnen verdedigen. Alleen voor een zuiver leven van overdenking is het waard te strijden. En het strijden bederft de zuiverheid. Ach, Gerschom is in zijn eeuwige jeugd aangetast door het vuur van dien Wormser Knaap. Goed was hij en wij hadden hem niet van ons mogen stooten, maar zijn onervarenheid behoeft geen hulde. Alleen door eigen hand moeten wij sterven en onze Rabbi is gekomen waar hij wezen moet. Duidelijk genoeg dat de weg naar de onreinheid ons is afgesneden.”
Het bloed steeg naar de hoofden. Het einde van alle bezinning was gekomen, de uitgang was versperd. Rabbi Gerschom stond voor het eerst met gesloten oogen. Toen hij ze weer opende, zei hij:
„Wie?”
Hij kreeg niet dadelijk antwoord.
„Wie? Wie?” riep hij gehitst.
Terwijl nu weer in geen van de gezichten behalve in die van de allerkleinste kinderen nog kleur van bloed te zien was, riepen Rabbi Peter, Mar Joseph en Mar Juda achtereenvolgens:
„Ik.”„En wie óns daarna?”
„Ik,” zei Rabbi Peter. Alleen een paar kleine adertjes bij zijn oogen kwamen aan hem in trilling.
De beide anderen sidderden zichtbaar, naar de Gemeente gekeerd.
Die zweeg nog.
Toen begon één vrouw, met een gezicht vol gruwing als van bitterheid, afwerend enkel kreten uit te stooten: „Ah! Ah!” — Dat bracht anderen tot schreeuwen van afschuw en angst. En toen de drie Rabbanniem met messen te voorschijn kwamen, sprongen korte kreten omhoog en schoten
363