wat begint men daarmee? Vele vrouwen zijn erbij, en knapen van dertien tot twintig die huilen omdat zij niet sterven willen en toch alle verband van warmte en liefde dat hen tot hiertoe rijk heeft gehouden, niet kunnen verraden. Wat zullen zij ook daarbuiten leven? Daaraan denkt niemand ernstig. En dus weten zij allen wat hen wacht: geen uur meer zullen de Kruisvaarders noodig hebben om hier te zijn, en zij zijn met meer dan vijftienduizend gewapenden, die nog altijd kracht en wil bezitten tot beslissende daden met de Joden, en nog altijd niet tevreden zijn. Binnen een uur moet hier beslist zijn hoe men zijn moordenaars zal ontvangen; het is geen vraagstuk voor de Rabbanniem zelf waarvan de meesten meer dan zestig jaar zijn. En elk van dezen kan opgewekt worden tot het beste einde, hij blijft vrij in het kiezen van leven of dood. Ook dat is geen moeilijkheid meer. In Keulen hebben sommigen zich met spel het vleesch gered; Liebermann en Reb Juda en enkele anderen, mannen en vrouwen. Maar God zij geloofd en geprezen: niet Rabbi Jitzgak de Opperparnas, voor wiens moed niet alleen zijn vrouw bevreesd was, maar ook behalve Rabbi Gerschom de meeste Rabbanniem. Hij is voor het zijne den dood ingegaan en alle zwakheid is in zooverre geboet, hij wandelt voor God en de Engelen in den Hof Eden. Allen die hier zijn, zijn besloten; hun tranen en hun rauwe of verbeten wanhoop zijn zooveel bewijzen voor hun gemetselde trouw. God zegene hen, die Hij tot dit ontzettende uur veroordeeld heeft; hij, Rabbi Gerschom heeft hen lief, hij verblijdt zich met hen over hun tranen en handenwringen heen, om die eenheid in het ongeluk die hij hier ziet groeien. Van hoofd tot hoofd, de geliefden, ziet hij het verband, in onzichtbare bogen van licht ontspringen en zich hechten; helpen moet hij hen, nu of nimmer, met zijn volle bron, het leven te verduizendvoudi-gen in den dood. Zoo ziet hij naar hen, en zendt het licht van zijn oogen uit, moedig. Getroffen keeren zich de andere Rabbanniem naar hem, en de menigte, huilend, half verstikt maar opgesleept, zingt mee als hij inzet:
„Olijnoe Le-sjabij-ag....” ,,Aan ons den Meester van het Heelal te loven....”
360