schuur, met een Wetsrol uit de woning van Gerschom meegenomen en verder al was het schamel, zoo ingericht dat men er den dienst kon houden. Het was hun eenige verzamelplaats, en vandaag, nu het weer Vrijdag was, den 27sten Juni, den vierden Vrijdag na hun vlucht bij de Keulsche Christenen, waren zij er bijeen, allen, tot den laatsten man en de laatste vrouw en het laatste kind toe. Want het lot kon niet langer betwijfeld worden: een reiziger was het aanrukken van de Kruisvaarders komen meededen. Om de slachting van een derde deel van hun gemeente, om Neuss en Wevelinghofen treurden, rouwden zij en vastten zij, en liepen zij rond als in een kooi vol vergiftigde lucht, tusschen verbijstering om den dood van de verlorenen, en wilden angst om de nadering van het eigen einde. Velen waren tot in het onbenaderbare geprikkeld. In korte bittere twisten tusschen echtgenooten, tusschen vaders en zonen, om bijkomstigheden, over geringe onderdeden van wetstoepassing, over Bisschop Hermann, over de gezindheid van hun Keulsche gastheeren, over den weg dien de Kruisvaarders naar Ahrweiler zouden moeten afleggen, deed het gewonde temperament de bloedige liefdesbetuigingen, de radelooze bezorgdheid om elkaar, en de onderlinge verteedering omslaan: het getrappel en het bijten bleef niet uit van opgesloten en veroordeelde dieren. Eenzelvig als hun God, konden de mannen de aanraking niet verdragen van het beeld der bedreiging en vernietiging van hun innerlijken trots; van het dag aan dag gepeilde, doorploegde en in alle verschijningen aandachtig genoten leven. Allen waren zij bezig hun krachtbron te verbruiken en ook hier waren enkele jongeren, mannen evenals vrouwen, vergrijsd en liepen al halfgestorven rond, ademloos geboeid door de voorstelling van hun dood. In die uiteengedrevenheid van het bindende middelpunt weg, als een naar alle kanten rennende kudde waar een leeuw in sprong, was het niet gemakkelijk, de diepe waardigheid naar voren te roepen, waarmee de Rabban-niem zich nu alleen nog maar tegenover wereld en nageslacht verantwoord rekenden. Zulk een kleine, maar van diep-op woelende zee van driehonderd gevonniste wezens,
359