Synagogedienaar Menachem beland. Hij had een stille smartelijke en zeldzame oneenigheid met zijn jonge vrouw gehad over de beurt van hun dood. Zij wilde het liefst vóór hem sterven om hem een langer leven te laten. Hij vroeg om hetzelfde maar omdat de overblijvende, zei hij, op den toon alsof het louter bespiegeling was — het langste en bitterste leed te verkauwen had. Zij kwamen binnen een vierde uur na elkaar om in de moeraspiassen en kleine meren buiten Wevelinghofen, waarheen de Jodenfamilies zich gespoed hadden bij het naderen van de Kruisvaardersbenden. In een wilden optocht, volkomen bewust van handelen doordien zij niet zooals de Neusser vluchtelingen, overvallen waren, renden allen, mannen, vrouwen en meegesleepte kinderen naar het ondiepe water en liepen erin, de volwassenen tot de knieën, de kinderen tot aan de schouders, de kleinsten en zuigelingen op de armen van de moeders en vaders. In een siddering van angst voor het genot van de Walbroeders aan hun pijnen en dood, in een beving van afschuw tegen hun overwinnings-glorie en zelfs tegen hun aanraking, waren zij tot alles besloten dat hen daaraan zou onttrekken. En het woord van Rabbi Samuel ben Jechie-el, dat zij tesamen zouden sterven eer het gedierte naderen kon, sloeg een koor van het ,,Sjemang Jisroyl” uit de kelen alsof het sterven een eenvoudige daad was. Maar het tumult van de duizenden Kruisvaarders dat zij hoorden, wier bontheid al om den hoek van een kleinen heuvel kwam opdringen en wier wapens zij al in de middagzon zagen schitteren, perste de kreten tot ontkoming aan de schennis uit de vrouwenkelen, en de schreeuwen tot snelle beslissing uit de mannen. In een spanning die verblindde wendde zich Rabbi Samuel tot zijn eeni-gen zoon Gottlieb, een jongeman van vijfentwintig, en zei: ,,Ik moet de eerste zijn. Iemand moet de eerste zijn. Ge zijt een goed kind geweest, ik had vreugde aan U.” Gottlieb begreep en wilde zijn vader omhelzen, maar Rabbi Samuel zag de Kruisvaarders den afstand van den zonnigen weg bedekken, en met een langen schreeuw van verdriet riep hij de Lofspreuk voor zulk een daad: ,,Geloofd zijt gij Eeuwige, die Uw naam heiligt in het openbaar!” en stiet Gottlieb zijn mes
356