Daarna gingen zij de tijdelijke behuizingen van de Joden binnen en namen er mee wat waarde had. Het was onder die bezigheid dat de jongen met de zeere oogen, de handwerker uit Keulen die in Reb Tobias’ logement de booze geesten uit het bierschuim had gevreesd, zijn ongelukkig oogenblik had. Een andere knaap had zich een beurs toegeëigend; Willem de Timmerman zag het en nam ze hem uit de handen, met een dreigend-verbaasden blik uit groote oogen. De Keul-sche jongen had hetzelfde gedaan: een klein voorschot op den overvloed dien zij zich zouden nemen, dacht hij alvast bij zich te kunnen steken, hij had er zoo lang op gewacht.Waarom was de burggraaf van Melun zoo heftig juist tegen hem? Wist hij dat hij van heer Otto’s kleine leger was? Ónmogelijk. Was het omdat hij de tweede was die betrapt werd? Waarom was hij dan ook zoo eigenzinnig, den heer burggraaf niet dadelijk zijn buit over te geven toen die eischend zijn hand uitstak? De domme knaap schudde ontkennend zijn hoofd; hij scheen nog niet te weten dat een gebaar over het leven kan beslissen. Willem de Timmerman vermoedde een algemeene ziekte van diefstal bij de knechten op dat gebaar, en hij trad op; zijn zwaard suisde achteruit en toen het terug kwam drijven, nam het heel het bevende hoofd van den onvoorzichtige van den hals mee en deed het op den Neusser bodem ploffen. De Ridders konden geen diefstal ge-doogen. De buit was voor de voorziening van het leger. Men zei nog steeds naar het Heilige Land te willen.
Alleen Rabbi Isaac Halevy was, met een paar van de mooiste jonge meisjes die men voor het persoonlijk genoegen wilde bewaren, gewelddadig gedoopt. Hij was bewusteloos geslagen en in de kerk met het wijwater bestreken; toen hij bij was gekomen, liep hij door Neuss, zonder te weten dat hij Christen was. Hij ging naar de woning waar hij onderkomen had, en vastte en bad daar, ontwricht en ziek van de slachting en verwonderd dat men hem niet meer zocht. Pas drie dagen later waagde hij zich in het dorp; een walbroeder die langs hem liep,bleef voor hem staan: ,,Heb gij al gebiecht?” Een minachtende blik, met nauwelijks een zweem van een
23 353