achter zich verweerde, terwijl het toch levend scheen, dreef de spelers in een koortsachtig gewaagde worsteling met hun eigen laatste vrees voor een kracht die misschien uit die lijken te voorschijn zou kunnen springen en die, versterkt met een vermogen uit het gebied van den Dood, hen allen zou komen verbijsteren en hun harten van schrik zou doen stilstaan. Zij brulden, maar vaak spitste het gebrul in schor piepen uit. De vrouwen vielen tegen de mannen aan, en wekten ze tot het scheppen van nieuwe Kruisvaarders, uit haar, en niet uit de duivelsche en bloedhitsende Jodinnen. De lange bleeke gezichten van Anselm en Brodmark met de korte rossige baardjes en wenkbrauwen, hadden hun blik al naar vele richtingen gewend, de monden moeten wringen in tallooze figuren van angst, afschuw en dwaas versneden vormen daarvan. En eindelijk leken zij niets meer op elkaar, want de eene had geen neus en de andere geen kin meer, en toen zij, tusschen de vele bloedgaten, nog maar kleine resten van een menschelijk voorkomen vertoonden, vermaakten zij de Neussers en de Kruisknechten die voor toeschouwers speelden, nog met op stekelvarkens te gaan lijken, door de pijlen die de boogschutters er in schoten. Tegen donker en het avondeten was het plezier dan volkomen op; men kon in enkel bloed- en vleeschpap niets meer bereiken. Langs de duistere wegen leefden nu de geslachten de opzweeping en verzinking der gevoelens in liefdesspel uit. Ook de Joodsche meisjes die het leven hadden moeten bewaren, hadden dien avond de slachters van haar geliefden ter wille te zijn, om hun beroering op te vangen, en onder doodelijken weerzin hun vergeefsche pogingen dulden tot ontraadseling van hun stekende vragen. Van allen waren de knapen die zoo deden, de oplossing nog het meest genaderd; de woedende hitte van den daad-dag was weer geweken, de twijfel brak als een stille vretende pijn bij hen binnen en deed zijn werk. De aanvoerders, Emmicho en Willem de Timmerman, waren intusschen met enkele knechten de kleine slagvelden rondgegaan en hadden bij de lijken van oud en jong alle goud en zilver van de ooren, halzen, polsen en vingers zorgzaam weggesneden en de buidels van de mannen leeggeschud.
352