ontraadseld. In Neuss stieten zij weer, en zagen scherp toe naar wat zich openbaren zou. Met hen zagen de dorpers toe, de hoofden voorovergebogen, naar het bloed van Joden en Jodinnen, en zochten de helderheid voor hun duisteren strijd. Zalige gruwing kwam, en troostend machtsgevoel voor de onmachtigen. Maar nog steeds geen Helderheid; het Gordijn bleef. Toen dan ook nu, na afloop van het voornaamste werk, het Geheim nog niet ontsluierd was, zocht het volk het nog verder. Het ging het zoeken bij de lijken van Anselm en Brodmark, Mar Samuel’s beide zonen. Een stem riep: ,,dat zijn ze! de eersten die opgezet hebben tegen Christus, dat de Joden geen Doop zouden nemen!” Dc laatste vrees, gruwing, aarzeling en hun lust waren nu overal afgevloeid, en men dorst het spel aan met de resten. De lijken van de beide jonge mannen werden over den weg gesold en voortgeschopt als tonnen, en eindelijk in optocht bij zang en geschreeuw naar de woning van den vader gesleept. Daar had iemand een stoute gedachte: zij werden in de deuropening van Mar Samuel’s tijdelijke huis gehangen, en toen zij bengelden, als dwaze poppen met bebloede verwrongen en hier en daar gespleten gezichten, open monden en in ontsteltenis puilende oogen, toen donderde het gebrul van de menigte er tegenop, en vermaakte zij zich nog langen tijd daarmee als een vergoeding voor hun in den steek gelaten Sint-Jansdagspelen. De eerste Neusser knaap die in koelbloedige dapperheid dorst naderen en de beenen in bengelende beweging duwde, ontsleurde de massa een langen, scherpen kreet van overwinning op haar angst. Dan begon men met straat-vuil, eindelijk met keien naar de hoofden te mikken. Dat bracht de grilligste verrassingen, als openbaringen van het vermogen tot uitzinnige expressie aan het menschelijk gezicht. Nooit voor dienSint Jans-middaghadden de bewoners vanNeuss aan eenigjood zooveel opwindendplezierbeleefd. Vooral het element van gemelijke benauwenis en onred-baarheid werd door de keien en de modderkluiten sterk aan de beide jonge jodenmannengezichten geteekend. Het wonderlijk machtsgevoel van een menschelijk gezicht zoo met worpen te kunnen veranderen zonder dat eenig leven daar
351