scheiden door haar vlucht die nu pas zijn volle beteekenis van het verlies in hen sneed; van Esther, in de verwarring buiten Keulen verwijderd geraakt; zij was op een wagen geduwd die in de richting van Ahrweiler trok. Rabbi Jitzgak wist zijn laatste waardigheid te redden. Al die macht en verantwoordelijkheid jegens de velen van zijn gemeente, waarvan er nu nog honderden rondom hem öf nog een oogenblik leefden öf ten ondergingen, kreeg toch nog een zilveren rand van afsluitende verheffing in zijn bewustzijn. Hij kon de kracht vinden die hem zonder zelfbevuiling deed eindigen, en dat bracht een kort oogenblik van gelukkige tevredenheid, waarin hij scherp zag wat hij nu te dragen had en wat de onverteerbare opbrengst zou zijn van een lafheid. ,,Neen, neen,” zei hij tot den Duitschen boer en den jongen edelman die hem mee wilden nemen; hij zag Otto daarbij aan met een blik waarin de dood als vreeselijk maar als onvermijdelijk einde van alle ontluistering en aftakeling werd erkend. De verwarde knechten wilden hem toch verder trekken en het moest tot een beweging van verzet komen: Rabbi Jitzgak trok den arm terug, met pijnlijken tegenstand, en weer ontmoetten de blikken elkaar, tot Otto zijn aarzeling te boven kwam. Rabbi Jitzgak schrok nog gorgelend van het vreese-lijke beslissende bezoek van het staal aan zijn ingewand, en wankelde neer met groote wilde oogen; voor het Sjemang was het te laat. Frommet had een zelfde worsteling uit te lokken. Zij zag haar laatste menschelijke bezit vallen, en er was een kortstondig gevoel van tevredenheid en trots, tegen haar verborgen vrees in, dat hij dezen dag in onwaardigheid zou eindigen. Maar nu stond zij daar in de bezinning op de volkomen leegheid rondom; het moorden om haar heen onderging zij niet anders dan als de ineenstorting van al het hare. De jonge edelman had haar arm gegrepen; door een opzettelijken stomp in zijn gezicht vroeg zij om den dood. Hij wist niet dadelijk waarom hij den arm losliet en den knecht een teeken gaf, zijn werk over te nemen. Hij wendde zich af naar het tumult van de anderen. Voor Frommet was de dood ongekend afschuwelijk, maar een bevrijding en de eenige oplossing. Zij stierf met gedachten aan haar beide
347