mannen stonden in een oogwenk met bloedspuitende lichamen en gekloven schedels, stortten neer en vielen naar alle richtingen, op den grond en tegen de in wilde beweging gekomen walbroeders aan. Zoo wild en vol was dadelijk de werkzaamheid dat zij die hun slachtoffers vasthielden, dat verband als in een schok verbraken, achteruit sprongen en op ze toestieten, staken of hakten. Een wild concert van kreten en gillen, schreeuwen en kreunen zigzagde tusschen de lage huizen van het dorp, over het stilgelegde Johannes-feest. Tweehonderd dooden, groot en klein, telden dien dag de Kruisvaarders. Zij hadden hier en daar een poging tot doopen herhaald, en een enkele zelfs gewelddadig doorgezet. Maar de kerk bleef stil; de lust bij de walbroeders was gering. Kinderen die zij tegen het bitter verweer van de ouders hadden kunnen ontvoeren, werden in heilige woede om die weigering neergeslagen, omdat de boeren oordeelden dat de dood dan toch beter voor hen was dan een Jodenleven; zij stierven na hun waanzinnige angsten tusschen de volwassenen in, in de zekerheid dat de gruwelijkste verbeeldingen van hun donkere nachten werkelijkheid waren geworden. Rabbi Salomo Hacohen, de oudste van allen, een negentigjarige, schudde glimlachend neen op de vraag of hij tot Christus wilde komen, en werd, met zijn tachtigjarige vrouw door hevige bijlslagen binnen een halve minuut in twee onherkenbare met bloed overstroomde tronken veranderd. Het kleine bluffertje Reb Matthias den slotenmaker sloeg men met zijn vrouwtje en drie kinderen neer. Het baatte hem niet, zooals bij geen van allen verbazing, angst of offering baatte, dat hij verwonderd voor zijn kinderen ging staan in de hoop, een laatste mededoogen op te roepen voor een leeftijd die den dood niet kan dragen. In de razernij van de ziedende geloofsdrift die allen rem in dronken vaart omzette, wierpen zich gedurende het oogenblik van weifeling bij zijn ontvoerders, andere Kruisbroeders, op dat oogenblik werkeloos, op het vijftal, en doorstaken het alsof het brooden in den oven waren, zoo snel achtereen. Hier waren ook Rabbi Jitzgak, de Opperparnas en zijn vrouw From-met meegekomen, heel en al ontzenuwd, van Hanna ge
346